nieuws

Tekort zand en grind vraagt om juiste keuze

bouwbreed

Herhaaldelijk wordt melding van gemaakt van een tekort aan zand en grind en als gevolg daarvan het risico van stagnatie en prijsverhogingen van bouwwerken. Maar deze problematiek is niet nieuw, aldus Xander Vos.

Meer dan een halve eeuw geleden maakte de Stichting Ratiobouw in de publicatie ‘Geluidsisolatie in woningen 1945 van TNO/TPD’ al gewag van een dreigend tekort aan bouwmaterialen. Als gevolg van de oorlog was er een tekort aan staal. Vloerconstructies met geïntegreerde stalen balken en staalconstructies werden vervangen door andere beschikbare materialen.

Het is een gegeven dat de toeleverende industrieën meestal erg eenzijdig hun eigen product promoten en dit als enigste en beste oplossing aanbieden. Het probleem van tekort aan zand en grind is hiervan een schoolvoorbeeld.

Voordeel

Bij een analyse van het materiaalgebruik blijkt dat in gebouwen grote hoeveelheden beton worden toegepast waarbij met name vloeren een groot aandeel vormen. In de praktijkrichtlijn wordt bijvoorbeeld aanbevolen om woningscheidende vloeren uit te voeren met een eigen gewicht van ongeveer 600 kg/m2 om aan de geluidsisolatie-eis van het Bouwbesluit van 0 dB te voldoen.

Deze maatregel is niet logisch te verklaren in relatie tot de eisen voor wat betreft de draagkracht van deze vloeren. Bouwen we slim met een massa van 600 kg m2 om 175 kg/m2 te dragen?

Al in de aanbevelingen in 1945 werd gemeld gemaakt van de ongunstige werking van ononderbroken van hard materiaal, zoals bij de toepassing van de toen moderne bouwmaterialen beton en staal.

Uit TNO-onderzoek en uit ervaringen in de houtskelet- en staalbouw blijkt dat met akoestisch ontkoppelde constructies eenvoudig geluidsisolatiewaarden voor zowel lucht- als contactgeluid van +10 dB behaald worden.

Besparing

Sedert enkele jaren worden er steeds meer nieuwe vloersystemen toegepast waarbij flexibiliteit en gewichtsbesparing belangrijke criteria zijn. Als er meer gebruik gemaakt zou worden van lichtere vloersystemen kan er minimaal 250 kg/m2 worden bespaard. Dat levert jaarlijks een reductie van vier tot vijf miljoen ton aan beton op.

Zeker gezien de toename van de hoogbouwprojecten zal aanvullend een forse besparing op de draagconstructie en de fundering mogelijk zijn.

Uit de voorbeeldprojecten IFD-bouwen van de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting blijkt ook in de praktijk dat licht en flexibel bouwen ook haalbaar is. Een voorbeeld hiervan zijn de A+woningen. Deze zijn ontwikkeld door Bouwbedrijven Jongen, onderdeel van Kon.Volker Wessels Stevin samen met A+Bouwinnovatie en hebben de helft van het gewicht van tradionele woningen, gekoppeld aan een extreem goede geluidsisolatie.

Ook uit onderzoek blijkt dat een vakwerkconstructie met lichte vloeren voor woontorens hoger dan 200 meter de beste oplossing biedt. Naast de constructieve aspecten en geluid is ook de brandwerendheid van cruciaal belang.

Ook dit aspect blijkt goed beheersbaar door de combinatie van de juiste materialen, zoals een dunne betonlaag en staal als draagconstructie. Door een integrale in plaats van materiaalgerichte benadering kan meestal ook met composietconstructies ruimschoots aan een brandwerendheid van meer dan 120 minuten worden voldaan.

Levensduur

Voor opdrachtgevers zou ook de levensduur van het gebouw meegenomen dienen te worden in de investeringsbeslissing. Door de sterk veranderende samenleving worden de wensen ten aanzien van onze gebouwen op steeds kortere termijn bijgesteld. In plaats van een levensduur van bijvoorbeeld 75 jaar, waarmee gecalculeerd wordt, is vaak al na 25 jaar het gebouw niet meer functioneel en wordt gesloopt of ingrijpend verbouwd. Hoewel de draagstructuur nog voldoet is de indeling of het interieur niet meer marktconform; de leidingstructuur vormt dan vaak de grootste belemmering.

Nog niet voldoende opgevolgd worden de dubo-maatregel S637: “Realiseer scheiding van drager en inbouw” of S118/U118: “Met een flexibel vloersysteem kan bij veranderende huisvestingsbehoefte de ruimte met geringe inspanning anders ingedeeld worden, waardoor een langere economische levensduur van een gebouw wordt gerealiseerd”.

De veranderingen zijn spectaculair hoewel men zich dit vaak niet realiseert: 25 jaar geleden was dubbel glas nog een luxe. Was het in 1990 te voorzien dat er in 2000 over domotica zou worden gesproken?

Voorspellingen

Voorspellingen zijn per definitie onzeker. Er zijn er ook, die zeer waarschijnlijk uitkomen:

* dat in 2010 nauwelijks nog iemand wil wonen in een niet gekoelde woning;

* dat het rendabel zal zijn alsnog de zonne-energiesystemen te installeren die in 2000 nog niet rendabel waren;

* dat ook de lichting ouderen dan zeer vertrouwd zal zijn met internet (boodschappen doen; informatie inwinnen etc.)

* dat in elke ruimte een communicatiepoort aanwezig moet zijn;

* dat niemand nog naar buiten wil om de zonwering omlaag te laten;

* dat water zo duur is geworden dat hergebruik van water met bijbehorende systemen zeer actueel zal zijn.

De door Arie de Klerk onlangs geopperde invoering van een verwijderingsbijdrage voor gebouwen zou een planningsinstrument kunnen zijn om beslissers na te laten denken over de gekozen opzet van gebouwen . Er zijn al geluiden dat de huidige nieuwbouw de getto’s voor morgen zijn.

In kantoren is het gebruikelijk om verlaagde plafonds toe te passen, waarbij het verbergen van de leidingen de belangrijkste reden is. Door de isolerende werking van deze extra laag en de steeds beter geïsoleerde buitengevel kan de interne warmtelast van de verlichting en al onze warmte producerende kantoorapparatuur niet door het gebouw worden opgenomen. Als gevolg hiervan wordt de energiebesparing voor de verwarming ruimschoots teniet gedaan door de benodigde koelenergie.

Door geen plafond toe te passen en de besparing op de vloerdikte wordt materiaal én energie bespaard terwijl de nagalmtijd meestal op eenvoudige andere manieren kan worden bereikt.

Logischer

De kosten voor installatie en klimaatregeling in gebouwen wordt ook veroorzaakt door de wijze van installeren. De leidingen worden steeds onder de vloer ‘boven het hoofd’ gemonteerd, terwijl het veel logischer is om dit in de vloer te doen.

Hierdoor wordt op bekabeling bespaard, terwijl de montage veel efficïenter kan plaats vinden. Uit studies blijkt namelijk dat monteurs in de utiliteitsbouw maar veertig procent van de tijd echt montagewerk verrichten, omdat zeer veel tijd verloren gaat met ‘op- en afklimmen’.

Door verder gebruik te maken van betonkoeling wordt een beter beheersbaar en energiebesparend binnenklimaat gerealiseerd en zijn minder grote luchtkanalen nodig.

Levensduur van gebouw meenemen in investeringsbeslissing

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels