nieuws

Rechter Willems schrijft nieuw hoofdstuk ‘omgaan met beleggers’

bouwbreed

De Ondernemingskamer onder leiding van rechter Huub Willems heeft een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de zogenoemde corporate governance. In de uitspraak in de zaak HBG heeft de kamer geoordeeld dat aandeelhouders eerder moeten worden geconsulteerd over belangrijke besluiten. Of bedrijven daar zo blij mee zijn, valt te bezien.

Met het besluit van HBG om met Ballast Nedam in zee te gaan in plaats van met Heijmans en/of Boskalis is niets mis. Rechter Willems kon dan ook niet anders dan het bestuur van HBG gelijk geven dat het voor de aandeelhouders praktisch lood om oud ijzer zou zijn geweest. Bij Boskalis hadden ze alleen eerder hun geld gekregen.

De manier waarop het besluit tot stand is gekomen, is echter een andere zaak, zo oordeelt althans Willems. In die zin is de uitspraak dan ook behoorlijk principieel, zij het minder verrassend dan menigeen denkt.

Vorige week nog deed de Ondernemingskamer uitspraak in de zaak van het technische handelsbedrijf Viba waar het ging om onvoldoende informatie aan de aandeelhouders. Viba had de aandeelhouders te laat geïnformeerd dat het zelf een verborgen belang van 32,3 procent in zichzelf had. Dat betitelde de kamer al als wanbeleid.

De zaak HBG ligt wel iets gecompliceerder. Als beursgenoteerde onderneming is het gebruikelijk bij overnames, of in dit geval het aangaan van een permanente joint venture, pas naar buiten te treden als ‘de verwachting is gewettigd’ dat er overeenstemming wordt bereikt. Terecht, want iedereen praat altijd met iedereen. Als dat elke keer bekend moet worden gemaakt, raakt de beurs continu van slag.

Daarbij speelde ook nog eens dat HBG en Ballast Nedam elkaar geheimhouding hadden opgelegd. Dat maakte het voor HBG onmogelijk de aandeelhouders vooraf te consulteren. Toch meent Willems dat de HBG-top dat wel had moeten doen. Daarbij baseert hij zich vooral op de manier waarop HBG zelf zegt dat het met aandeelhouders wil omgaan.

Daar zit dan meteen het vreemde in de uitspraak. HBG is van mening dat de formulering van doelstellingen en strategie is voorbehouden aan de ondernemingsleiding. Wel wil het bedrijf daarover discussiëren met iedereen, dus ook met de aandeelhouders.

De vraag is evenwel hoe je dat doet bij het aangaan van een joint venture of het afwijzen van een openbaar bod. Terecht wijst HBG-bestuursvoorzitter Carel Jan Reigersman erop dat je niet zomaar in een aandeelhoudersvergadering voor de vuist weg kunt discussiëren. De eerste vraag die je als bestuurder dan gesteld krijgt, is hoe het bestuur erover denkt. Dit geldt temeer als er ook nog eens geheimhouding is afgesproken.

Wordt in zo’n geval te vroeg met de aandeelhouders gesproken, dan dreigt een levensgroot gevaar van handel met voorkennis. Gebeurt het te laat, dan zullen aandeelhouders zich minder betrokken voelen bij de onderneming. En dat is juist wat HBG wil en rechter Willems nu ook voorschrijft.

Toch valt er voor de uitspraak van de Ondernemingskamer iets te zeggen. Als bedrijven corporate governance serieus willen nemen, dan zullen zij de positie van de aandeelhouders serieus moeten nemen. Het is min of meer te vergelijken met de positie die ondernemingsraden hebben, zij het dat Willems de aandeelhouders slechts adviesrecht geeft. Het uiteindelijke besluit is en blijft in deze uitspraak voorbehouden aan de bestuurders van de onderneming.

De uitspraak blijft wel opmerkelijk, omdat afgezien van de slechte communicatie tussen HBG en de aandeelhouders, die het bedrijf zelf ook heeft onderkend, Willems het inhoudelijk volledig met HBG eens is. Dan toch concluderen dat er sprake is van wanbeleid, gaat heel ver.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels