nieuws

Watermolen ‘de Breek’ van ondergang gered

bouwbreed Premium

zeevang – Na een dijkdoorbraak van de voormalige Zuiderzeedijk bij Oosthuizen (NH) werd in 1632 de onder water gelopen Eterheimersbraak drooggemalen. Sinds die tijd is het aanzicht en de inrichting van het poldertje nauwelijks veranderd. Met medewerking en financiële steun van tientallen bedrijven en particulieren en door toekenning van diverse subsidies restaureert de Molenstichting Zeevang op dit moment de watermolen ‘de Breek’. De nabijgelegen bliksemschuur krijgt een functie als educatief centrum om bezoekers te informeren over dit authentiek stukje Noord-Holland.

‘Als Columbus niet was gaan varen, was Amerika nog niet ontdekt’. Dat waren de woorden van G. Keunen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) aan de burgemeester van de gemeente Zeevang en tevens voorzitter van de Molenstichting Zeevang D.T. den Hartog. ‘De woorden van Keunen gaven precies aan waar het om draaide. We moesten gewoon van start gaan met het herstel van de oude molen voor het écht te laat was’, aldus Den Hartog. De oude molen was door de laatste molenaar in 1931van zijn wieken ontdaan en de molenromp enigszins ingekort. Als gevolg van het verlagen van het waterpeil waren de paalkoppen ingerot en helde de molenstomp bijna 50 centimeter over. Overleg tussen leden van de Molenstichting Zeevang, lokale bedrijven en diverse instanties leverde voldoende zekerheid op om de restauratie te beginnen. Om de fundering aan te pakken werd de molenstomp tijdelijk van zijn plaats getild. Na onderzoek bleek onder de gemetselde bogen per penant slechts één enkele paal van 3 meter op kleef te staan. Den Hartog: ‘In het bestek was het herstel van de funderingspalen opgenomen, maar het was duidelijk dat we op de ‘stokjes’ die we aantroffen niet konden bouwen.’ Een plaatselijk heibedrijf werd bereid gevonden om nieuwe palen te slaan. ‘De fundering is nu helemaal van beton. Voor het aanzicht maakt dat niet uit, want de buitenzijde van de funderingsstroken en opbouw worden aan het zicht onttrokken door een terp en bij de kolk onder de watermolen is alleen schoon metselwerk te zien.’ De Molenstichting ging met Aannemings- en Molenmakersbedrijf Kistemaker & Korver uit Middenbeemser in zee voor de restauratie en herbouw van het molencasco. De molen is als achtkantige grondzeiler en binnenkruier een typische Noord-Hollandse watermolen. Omdat de molen destijds was ingekort moest de molenbouwer de molen eerst weer tot op de gewenste hoogte bouwen. Daarbij week hij af van de maatvoering. Ing. R.G. Kistemaker: ‘Elke molen is anders. Volgens het bestek moest de romp anderhalve meter hoger worden. Maar bij die maatvoering bleek de kuip en rolvloer waar de draaibare kap op komt niet te passen.’ Inmiddels heeft Kistemaker de stijlen van het achtkant verlengd en constructief aan de bestaande stijlen verbonden met glasfiber staven. Hierop rust het boventafelelement waarop de rolvloer en kuip verbonden zijn. Verschillende onderdelen van de houten molen zijn afhankelijk van hun functie van een andere houtsoort gemaakt. Kistemaker: ‘In de kap zijn vijftig rollen van iepenhout opgenomen om de kap te kunnen kruien. Iepenhout is ook in de wielen verwerkt omdat het hout taai is en schokbestendig. Voor de rest bestaat de molen voor een groot deel uit eiken- en grenenhout, maar we hebben ook azobé vanwege de duurzaamheid en bilinga toegepast. In afwijking van de traditie zijn de kammen op het vijzelwiel niet in azijnhout maar in groenhart uitgevoerd.’ De vloeren in de molen zijn in grenen uitgevoerd. Ook de gepotdekselde ofwel geweegde delen onder het rietgedekte deel zijn van grenenhout. Problemen om goed hout te vinden zijn er voor Kistemaker nog niet, al was het een hele zoektocht om een goed stuk eikenhout voor de koningsspil op te sporen. De spil is dan ook 9 meter lang, 40 centimeter in het vierkant en bovendien kaarsrecht. Maar ook de vijzelbalk is een behoorlijke jongen met 9 meter. Maar deze is in azobé uitgevoerd evenals de beschoeping met een doorsnede van 1,4 over een lengte van 7,5 meter. Azobé is in tegenstelling tot eiken makkelijker verkrijgbaar in grote maten. Kistemaker heeft ook de sluisdeurtjes vervaardigd die voorkomen dat opgevijzeld water vanuit de bovenboezem weer in de kuip kan stromen. De molenkap ligt nog naast de molen. Kistemaker heeft de kap in zijn werkplaats gemaakt, in onderdelen ter plaatse gebracht en opnieuw in elkaar gezet. Half september wordt de kap op de molen gehesen. Ook de ijzeren roeden liggen met een vlucht van 22,4 meter klaar om ingehesen te worden. Als het casco gereed is en de watermolen ‘werkt’, gaat Kistemaker in de molen aan het werk om de vloer- en balklagen af te maken. De molen krijgt als museummolen uiteindelijk een negentiende eeuws interieur. Den Hartog hoopt dat de boedel door oudheidkamers en musea in bruikleen worden gesteld of geschonken.

Bliksemschuur

De eerste molen in de Etersheimerbraak dateert van 1632. Halverwege de negentiende eeuw ging de molen door brand verloren. Een tweede molen onderging hetzelfde lot na zes jaar. Hierbij kwam de molenaarsvrouw om het leven. Haar stoffelijk overschot is volgens overlevering nooit gevonden. De nabijgelegen bliksemschuur dankt zijn naam aan zijn functie. Bij onweer verliet de molenaarsfamilie de met riet bedekte molen om tijdelijk in de schuur te schuilen. Waarom de onfortuinlijke molenaarsvrouw destijds niet haar toevlucht tot de bliksemschuur had genomen, vertelt de overlevering overigens niet.

Kleiput

Een deel van het poldertje wordt ingenomen door de ‘kleiput’. Na de overstroming in de zeventiende eeuw was het veen weggespoeld en kwam de kleilaag boven zoals in de grote droogmakerijen als Beemster en Schermer het geval is. Met behulp van die klei zijn de dijken in de directe omgeving hersteld na de watersnoodramp van 1916. Hierdoor is de kleiput volgens Den Hartog met een hoogte van 6,6 meter onder NAP een van de diepste punten van Nederland. ‘We moesten aan het herstel beginnen voor het écht te laat was’

Reageer op dit artikel