nieuws

Monument waterbeheersing als bezoekerscentrum

bouwbreed Premium

den haag – Het nieuwe bezoekerscentrum van het Nationaal Park Oosterschelde op Neeltje Jans wordt verspreid over drie locaties en kost ruim 7 miljoen euro.

Een landpaviljoen op de wal van Neeltje Jans, een paviljoen onderwater en de reservepijler van de Oosterscheldekering zelf. Deze drie locaties vormen een onderdeel van de wandelroute die bezoekers kunnen afleggen door het natuurgebied. Het landpaviljoen is het ontvangstgebouw, waar bezoekers zich melden bij de informatiebalie. Dit gebouw, uit glazen panelen vervat in houten portalen, heeft aan de achterzijde een uitgang. Via een drijvende brug lopen de bezoekers naar het dak van het onder water gelegen educatiepaviljoen. Eenmaal onder water zijn er drie verdiepingen met tentoonstellings- en educatieruimten, voorzien van kijkgaten of vensters die het leven in de Oosterschelde laten zien. Vanuit de onderste laag wordt via een tunnelelement een doorgang gemaakt naar het binnenste van de pijler. Hiervoor wordt een uitsparing gemaakt in de pijlervoet. Uiteindelijk komt de bezoeker via een spiltrap bovenop de pijleren loopt dan via de buitenkant van de pijler weer terug naar het dak van het educatiepaviljoen.

Waterbeheersing

Het ontwerp is afkomstig van architect Christian Smith van het Atelier van rijksbouwmeester Jo Coenen. Het bestuur van het Nationaal Park benaderde Coenen ruim een jaar eerder met de vraag om een studie te doen naar het bezoekerscentrum. Gesprekken tijdens de studie tussen de ontwerper en opdrachtgever hebben geleid tot het uiteindelijke plan. Smith en zijn collega, architect Charles van Marrelo, daartoe onderzocht of de locatie in de nabijheid van de reservepijler van de Stormvloedkering, de Universeel Inzetbare Pijler (UIP) geschikt is voor een nieuw bezoekerscentrum. Tegelijk is gezocht naar de technische mogelijkheden om de reservepijler toegankelijk te maken en onderdeel van het bezoekerscentrum te laten zijn. ‘Een bezoekerscentrum associeer je met een gebouw waarin een balie, een winkel en misschien een horecagelegenheid zitten. Zo’n gebouw kan op elke willekeurige plek worden neergezet. De pijler staat voor een van Nederlands’ grootste resultaten op het gebied van waterbeheersing’, schetst Van Marrelo.

Monument

‘En even afgezien van het feit of het technisch haalbaar is, het gaat erom of je de pijler wel hiervoor wilt gebruiken. Het is een overgebleven monument van de Deltawerken en geeft de verhouding weer tussen mens en natuur. Het uitzicht vanaf de pijler is gigantisch en je voelt hier nog meer de invloed van de natuur. Je moet die pijler in zijn waarde laten. Daarom is er gekozen voor een minimum aan ingrepen op de ‘architectuur’ van de pijler’, legt hij uit. Om het verblijf van de bezoekers in de pijler niet te laten uitmonden in een expeditie naar de noordpool, was een bouwfysica-studie nodig. Welke maatregelen zijn nodig voor een redelijk bezoekersklimaat in de pijler? De vraag is kort en duidelijk, het antwoord echter niet. Het belangrijkste bouwfysische probleem is oppervlaktecondensatie dat gedurende een langere periode van het jaar kan optreden. Dit kan uiteindelijk leiden tot schimmelvorming.

Oppervlaktecondensatie

De pijler, die tot 15 meter diepte beneden NAP reikt, heeft zomer en winter, een relatief constante temperatuur van ongeveer 10 graden Celsius. De wanden van de pijler hebben in het tussenseizoen ongeveer dezelfde temperatuur en in de zomer wellicht een graad hoger. Als de buitenlucht warm is en na een regenbui, vochtig, condenseert de damp in de lucht tegen het koude binnenoppervlak van de pijler en het probleem van oppervlaktecondensatie is een feit. Een vaak gebruikte methode om dit verschijnsel tegen te gaan, is het toepassen van isolatie aan de buiten- of binnenzijde. Maar dat zou in dit geval betekenen, dat het uiterlijk van de pijler wordt aangetast en dat is niet de bedoeling. Diverse scenario’s leverden uiteindelijk de volgende oplossing: een mechanische ventilatie met droge lucht plus stralingsverwarming.

Kosten

De binnentemperatuur ligt dan in de zomer tussen de 18 en 20 graden, met een relatieve vochtigheid van 40 procent. In de winterperiode schommelt de temperatuur zo rond de 18 graden. De kosten van het realiseren van het plan liggen op ruim zeven miljoen euro. ‘Het is nu de beurt aan het Nationaal Park om financiers te vinden. Zo gauw dat in orde is, willen wij het ontwerp ook graag uitvoeren. Dat zit er weliswaar niet altijd in, maar ik vind dat geen ramp. Je moet als architect ook de nodige ‘vlieguren’ maken. Dat houdt je alert en je weet waar je over praat bij het geven van advies. Dat maakt het werken hier juist zo leuk’, aldus Van Marrelo.

Reageer op dit artikel