nieuws

Beveiliging Maasoever voor toekomst twijfelachtig

bouwbreed Premium

maastricht – De grote beveiligingswerken aan de Maas bieden in 2015 voldoende bescherming tegen hoog water. Maar het is twijfelachtig, of daarmee toekomstige overstromingen zijn uitgesloten.

Dat blijkt uit een onderzoek, door enkele ministeries, drie Maasprovincies en de daarin gelegen waterschappen en gemeenten. Dit onderzoek, Integrale Verkenningen Maas (IVM), moet duidelijkheid verschaffen hoe in de toekomst de veiligheid tegen overstromingen gewaarborgd kan worden zonder dijken of kaden te verhogen. Het onderzoek is eind dit jaar afgerond en dient als advies voor de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat. Studies wijzen uit dat als gevolg van klimaatveranderingen er in toekomstige winters zeker 20 procent meer neerslag valt. Daardoor ontstaat een verhoogde waterafvoer naar de Nederlandse rivieren, waaronder de Maas.

Maximaal

Het IVM-onderzoek gaat voor de Maas uit van een waterafvoer van maximaal 4600 kubieke meter per seconde in 2050. Dat is veel meer dan de maximale afvoer van 3800 kubieke meter per seconde waarvan nu wordt uitgegaan bij de beveiligingswerken. De Projectorganisatie De Maaswerken – een samenwerking van de provinciale- en rijksoverheid – gaat uit van de vastgestelde waterstanden per 2001. Het IVM-onderzoek baseert zich op prognoses voor 2050. En dat scheelt een slok op een borrel. Een ander verschil met De Maaswerken is dat de IVM zich uitstrekt van het hele stroomgebied van de Maas van Eijsden tot aan het benedenrivierengebied bij Leusden. De Maaswerken gaan binnenkort aan de slag met de beveiliging en bedijking tussen Eijsden en Nijmegen/Den Bosch. De uitkomsten van de studie van de IVM zullen de Maaswerken niet beïnvloeden. De uitvoering hiervan is al goedgekeurd en verloopt volgens plan. IVM richt zich op de situatie zoals die na uitvoering van de Maaswerken zal ontstaan. De Maaswerken zorgen voor een overstromingsrisico van eens in de 250 jaar tot 2015. Dit geldt voor de kaden langs de onbedijkte Maas. De dijken langs het bedijkte deel zorgen voor een risico van eens in de 1250 jaar. Althans, uitgaande van de nu bekende gegevens, die dus even gemakkelijk weer achterhaald kunnen zijn. De Maaswerken zijn ontstaan als gevolg van een snelle frequentie van overstromingen binnen ruim een jaar tijd (in 1993 en 1995), terwijl de laatste overstroming voor die tijd in 1926 was. Gebleken is dat de rivier onvoorspelbaarder is geworden, waarschijnlijk als gevolg van klimaatveranderingen en verhoogde neerslag. Na de laatste twee overstromingen zijn nooddijken aangelegd en plannen gemaakt voor de aanpak van de Grensmaas (Maastricht-Roosteren) en de Zandmaas /Maasroute. De Zandmaas is de beveiliging van de Maas tegen hoogwater tussen Linne en Hedel, en de Maasroute houdt in het verdiepen van de scheepvaartroute Maastricht-Nijmegen-Hedel. Deze planstudies zijn bijna klaar en de grootschalige uitvoering zal kort daarna beginnen. De Maaswerken moeten rond 2015 zijn afgerond. Overigens is de mens tegenwoordig ook banger voor natte voeten. Vooral in het Limburgse Maasdal was men vroeger gewend aan steeds terugkerende overstromingen. Daarnaast hadden zulke overstromingen minder impact vanwege het extensieve grondgebruik. Nadat over een redelijk lange periode de Limburgse voetjes droog waren gebleven, werd de Limburgse bevolking medio jaren negentig van de vorige eeuw opnieuw geconfronteerd met het risico van wonen in het Maasdal.

Risico

‘Het lijkt erop dat bewoners in de betreffende gebieden tegenwoordig het hoogwaterrisico minder acceptabel vinden dan vroeger’, denkt een woordvoerder van Rijkswaterstaat. Het verschil in overstromingsrisico is gebaseerd op de vorm van het landschap. De onbedijkte Maas ligt in een redelijk smal natuurlijk gevormd dal, waardoor de effecten van hoogwater relatief beperkt blijven. De omgeving langs de bedijkte Maas ligt verhoudingsgewijs laag ten opzichte van de rivier. Hierdoor heeft bij een overstroming het water een veel groter bereik. Daar zijn dijken gebouwd, waarbij de hoogte van die dijken het risico bepaalt. Het verschil tussen het bedijkte en het onbedijkte deel is, dat de gevolgen van een mogelijke overstroming in beide gebieden verschillend zijn. In het onbedijkte deel is er veelal slechts sprake van materiële schade en overlast. Het bedijkte deel loopt grotere risico’s, zoals levensbedreigende situaties, evacuaties en grote economische schade. Uitgangspunt van het IVM-project is de veiligheid, die zwaarder weegt dan de leefbaarheid. Dat kan ten koste gaan van belangen van landbouw en recreatie, erkent Rijkswaterstaat. Overigens blijft Nederland, waar het om de Maas gaat, sterk afhankelijk van de bovenstroomse gebieden van Maas en zijrivieren. Frankrijk beslaat 28 procent van het stroomgebied, België 40 procent, Duitsland 12 (met name de Roer), Nederland 18 procent en de rest komt van Luxemburg. De totale oppervlakte van het stroomgebied bedraagt zo’n 32.000 vierkante kilometer.

Reservering

De IVM moet een beeld geven van de vereiste reservering van gebieden die mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan de bescherming tegen hoogwater. Daarbij kan worden gedacht aan overloopgebieden en mogelijkheden om water in het hele stroomgebied van de Maas vast te houden. Uiteindelijk ligt vanaf komend voorjaar de bal bij de regering, die knopen zal moeten doorhakken. Overstromingsrisico moet in bedijkte deel veel kleiner zijn

Reageer op dit artikel