nieuws

Symbiose van de bouwer en de dichter

bouwbreed Premium

Symbiose van de bouwer en de dichter

Bouwen en dichten zijn twee eenheden die men niet automatisch aan elkaar verbindt. De bouwer zo recht voor zijn raap, gericht op een duidelijk resultaat. De dichter zo zweverig die de lezer laat spelen met open einden. Toch zijn Bouwbedrijf Van der Linden en wijlen dichter Geert van Beek aan elkaar gesmeed. ‘Van Beek stal ons hart’, schrijft directeur Marcel van der Linden in het voorwoord. ‘In bijna tien jaar mochten wij onze publicitaire uitingen, jaarverslagen en andere uitgaven vergezeld laten gaan van zijn onnavolgbaar mooie gedichten.’ Van Beek overleed begin dit jaar op 80-jarige leeftijd. Hij schreef romans, novelles, gedichten- en verhalenbundels en ontving diverse prijzen. Ter nagedachtenis aan hun bijzondere samenwerking gaf Bouwgroep Van der Linden de dichtbundel ‘De laatste loopvogel’ van Van Beek uit.

Uien

Bij elk pand dat Van der Linden opleverde, schreef Van Beek een gedicht. Knap geschakeld met het onderwerp, soms lichtvoetig, dan weer wat hoogdravend maar altijd treffend. Bij één pand wist ook Van Beek het niet meer: de foeilelijke grote productiehal van Heinz in Elst. Zelfs de mooiste woorden, aaneengeregen tot welluidende zinnen, konden dit spierwitte, fantasieloze bruidje van Heinz niet op een hoger plan brengen. Van Beek liet zich inspireren door uien, die ongetwijfeld in de hal worden schoongemaakt. Hij beschreef het proces van het eerste knisperende bruine huidje tot de diepste kern. ‘[…] Daarin kun je niet slagen zonder pijn in je ogen en tranen […]’. Inderdaad, geen woord van gelogen. Bij de oplevering van het complex Intechnium Woerden (ingenieursbureau Royal Haskoning Nijmegen, zie foto en gedicht) liet Van Beek zich meevoeren op de golven van de actualiteit: de weerzin tegen de oprukkende industrie, die de natuur een toontje lager laat zingen.

Brood op de plank

Uitgever Bouwgroep Van der Linden ISBN 90-9015664-X

Brood op de plank

Aan de periferie vreten fabrieken epidemisch aan wat een landschap was. ‘Park’ noemt men deze uitslag. Torenhoge steenpuisten barstensvol veevoer slaan grauw het blauw van de hemel stuk. Bekommerd huiven boerenhoeven zich over st`eeds spaarzamer aarde. Kerkklokken mogen wel galmen dat er hogere zaken zijn dan een vergulde haan: het brood moet op de plank, ‘god zij met ons’ op de bank. Maar op het plein zingt onverstoorbaar als uit een andere wereld het carillon over zomerse terrassen, en in het gras langs de vijver liggen scholieren vrijen te spelen. Stil loop ik langs de lenige rivier waar koeien samengroepen als in het eerste begin, en paarden zo rustig te grazen staan alsof de Hemel zelf ontroerd een zachte bries door hun manen aait.

Reageer op dit artikel