nieuws

Adviesbureau moet ook administratief goed werk leveren

bouwbreed Premium

De algemene voorwaarden voor de verhouding opdrachtgever en raadgevend ingenieur, de RVOI-2001, leggen op het adviesbureau de verplichting de opdracht goed en zorgvuldig uit te voeren, niet alleen technisch, maar ook administratief.

De opdracht aan het adviesbureau valt in zekere zin uiteen in twee onderdelen: enerzijds is daar het technische werk, dat verricht moet worden (bijvoorbeeld het maken van een ontwerp of berekening) en anderzijds is daar de verplichting de opdrachtgever administratief te begeleiden. Dit laatste ziet vooral op het op de hoogte houden van de opdrachtgever van de voortgang van het werk en de daarmee gemoeide kosten, alsmede eventueel het coördineren van de werkzaamheden van andere betrokkenen bij het werk (zie daarvoor de artikelen 5 en 8 RVOI-2001). In het maartnummer van Bouwrecht is een uitspraak gepubliceerd, waarin de technische kant van een opdracht naar voren kwam en de coördinerende kant. De uitspraak is van 12 juni 2001 en kreeg als kopje in Bouwrecht mee: ‘Onvoldoende communicatie’. In het kort kwamen de feiten neer op het volgende. B heeft een hydraulische aandrijving voor een lier voorgesteld met gebruikmaking van planetaire reductiekasten van Br met ingebouwde lamellenremmen. De componenten voor de aandrijving zijn berekend door Mo, wiens opdracht later is uitgebreid met een leidingsysteem. Toen de kraan in gebruik genomen werd, traden diverse problemen op en is de lier van de kraan gehaald en gedemonteerd. Vervolgens bleek dat op de remmen een druk lag, die hoger was dan opgegeven door B en bovendien bleek dat de remmen dynamisch inkwamen. De remmen zijn driemaal vervangen,omdat de lamellen verbrandden en de reden daarvan was dat de houdremmen dynamisch gebruikt werden. De opdrachtgever stelt daarop B aansprakelijk, omdat de keuze van de remmen van hem afkomstig zou zijn en B vervulde een volledige coördinerende en begeleidende rol met betrekking tot de lier. B betwist, dat hij die rol had en tevens betwist hij de aansprakelijkheid inzake de keus.

Geen fout

Het Scheidsgerecht oordeelt om te beginnen, dat B geen fout heeft gemaakt heeft ten aanzien van het vermogen van de motor en gaat dan verder. De uitvoering van een hijs- en sluitlier met een hydraulische aandrijving in combinatie met reductiekasten met ingebouwde lamellenremmen is niet gebruikelijk, zo stelt het Scheidsgerecht vast. B heeft de uitvoering van de lier voorgesteld en had ook de opdracht om naast de engineering, de realisatie te begeleiden en een en ander te coördineren. Op B rustte dan ook grote verantwoordelijkheid om als adviseur er voor te zorgen, dat de werkzaamheden van alle betrokkenen volledig op elkaar zouden aansluiten. Het gerecht spreekt dan ook als oordeel uit, dat het op de weg van B had gelegen om enerzijds een betere coördinatie met Mo tot stand te brengen en anderzijds de opdrachtgever uitdrukkelijk te wijzen op het belang van een goede afstemming van de geleverde elektronische besturing op een juiste werking van de lier. In die coördinerende en adviserende taak is B dan ook tekortgeschoten.

Stelling

Vervolgens buigt het Scheidsgerecht zich over de stelling van de eisende partij, dat gezien de ernst van de fout, de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 16 RVOI-2001 door B niet ingeroepen mag worden. Deze stelling wordt zeer vaak, wellicht zelfs standaard, naar voren gebracht, en is gebaseerd op de algemene regel van het burgerlijk recht (Burgerlijk Wetboek art. 6: 248,2) dat een als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De aansprakelijkheidsbeperking van artikel 16 RVOI-2001 is zo’n regel voortvloeiend uit een overeenkomst, en de opdrachtgevende partij die de wederpartij voor de gehele schade aansprakelijk wil houden, betoogt daartoe dat in dit concrete geval de regel niet mag gelden, omdat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Mondjesmaat

De wetgever heeft echter aangegeven, dat dit middel maar mondjesmaat gebruikt mag worden, want voorop staat immers, dat als een overeenkomst geldig tot stand is gekomen, men niet zomaar met een verwijzing naar redelijkheid en billijkheid zich zou kunnen onttrekken aan die geldige overeenkomst. Dan zou de zekerheid van het rechtsverkeer op losse schroeven komen. De Scheidsgerechten van het KIVI hebben deze toelichting van de wetgever zich ter harte genomen en maar zo’n zes keer is dit beroep, op wat ook heet de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid, gehonoreerd. Wil de stelling overgenomen worden door arbiters dan moet er sprake zijn van een tekortkoming, die zo ernstig is dat sprake is van opzet of grove onzorgvuldigheid, aldus de standaard jurisprudentie van de Commissie van Geschillen van het KIVI. Het Scheidsgerecht weegt in dit geval de volgende omstandigheden: de opdrachtgever zelf is nalatig geweest met betrekking tot de opdrachtverstrekking (er had duidelijker gespecificeerd moeten worden en gezien opdrachtgevers technische kennis had deze zich intensiever moeten bemoeien met B’s werkzaamheden, want hij was aanwezig bij de besprekingen over de lier); en gezien het geringe aantal manuren dat aan de opdracht besteed kon worden, gaan arbiters uit van een gedeelde aansprakelijkheid van B en de opdrachtgever. De conclusie: de geconstateerde fouten zijn niet zodanig ernstig, dat een beroep op de exoneratie (vrijwaring) ontzegd wordt.

Reageer op dit artikel