nieuws

Sloper Van IJken trots op zijn handel

bouwbreed Premium

Het sloopmaterialenbedrijf van Jan van IJken verhuist van een drassig weiland middenin de Eemnesser polder naar een bedrijventerrein aan een razend drukke rijksweg. Van IJken wil eigenlijk helemaal niet weg, maar de gemeente dwingt hem sinds het terrein in 1995 de bestemming natuurgebied heeft. Een jaar of drie, zegt de sloper, heeft hij nog wel nodig om zijn handel over te hevelen naar de nieuwe locatie. Maar van de gemeente moest hij zijn hielen al vóór 1 december lichten. En dus loopt er een rechtszaak.

Beide terreinen -het oude zompig, het nieuwe met een vaste bodem van stelconplate-zijn een eldorado voor de mens die hunkert naar tijden van weleer.

Granieten wasbakken, plavuizen (echte Regouts), gietijzeren trapspijlen, dakpannen en bergen handgebikte stenen. Kapstokhaken zelfs, en het is allemaal slechts een kleine greep. Of oude vloertegeltjes met een ontwerp van Escher. Er zit zoveel diepte in het motief, dat het de mens bij betreding licht laat duizelen. Het pronkstuk van de gigantische hoeveelheid pure materialen is de massief porseleinen badkuip. Het 500 kilo wegende object uit 1890 komt uit een Haags grachtenpand en bereikte vanaf de eerste verdieping ongeschonden de grond. Van IJken wil er niet meer van af. Foto’s van het interieur van de Theresiaschool, al weer in Den Haag, tonen een schat aan waardevolle materialen die verloren zouden zijn gegaan als niet de sloper ze voor vernietiging had behoed. De twee meter hoge massief houten schoolkasten doen nu dienst in Van IJkens nieuwe bedrijfspand op zevenduizend vierkante meter grond.

De baas doet sloopprojecten in de Benelux, Frankrijk en Duitsland. De meeste handelscontacten verwierf hij jaren geleden door bezoek aan de plaatselijke kroeg. Van alles wat wordt gesloopt is 90 procent geschikt voor hergebruik, vertelt Van IJken (59). “Wie met oude materialen een nieuw huis wil bouwen, kan voor het hele project bij mij terecht.”

Authentiek

Hij gaat er prat op dat zijn handel authentiek is. Op de gietijzeren wenteltrap na. “Het origineel uit eind 1800 vond ik in een oude drukkerij aan de Amsterdamse Singel. Zo’n mooi stukje gietwerk! Ik was het ding zo kwijt, maar voordat ik de trap verkocht, heb ik hem eerst laten namaken. die trap is de enige nep die ik hier verkoop.”

Mooie staaltjes handelsgeest passeren de revue. Hoe Van IJken bijvoorbeeld 33 oude binnendeuren van zwaar Amerikaans noestvrij grenen sleet aan een koper in de Verenigde Staten. Ze kwamen uit het museum van Volkenkunde in Leiden. Toch vormen restaurerende aannemers van eigen bodem zijn belangrijkste klanten.

De koopman, vrijbuiter met ongetrimde baard en André Hazes-hoedje op een warrige bos haar, runt zijn bedrijf met acht man, onder wie twee zoons. In 1977 begint hij, na een baan in internationaal transport, voor zichzelf. Al voor die tijd heeft hij van zijn reizen naar het buitenland oude materialen, plavuizen vooral, meegenomen. “In het begin zat ik bij een boer achter een schuur jarenlang te bikken, zonder dat ik wist of ik iets zou verkopen.”

Maar van lieverlee zwelt de voorraad oude materialen aan. Van IJken: “Ik kamp voortdurend met ruimtegebrek. Het aanbod is nu eenmaal vele malen groter dan de vraag. Je moet alles in voorraad hebben, materialen die soms wel vijftien jaar wachten op een koper. Uit de kelder van kasteel Nijenrode haalde ik eens plavuizen uit 1650. De kisten waarin ik ze verpakte, verrotten tot twee maal toe, eer ik de hele partij verkocht. Daar kun je erg naar van worden.” Aannemers zouden veel meer vertrouwen in sloopmaterialen moeten hebben, vindt Van IJken. “Het Komokeurmerk mag dan op mijn terrein ontbreken, de materialen zijn minstens zo goed, beter zelfs.”

Fnuikend

Over fnuikende overheidsvoorschriften is hij bar slecht te spreken. “De overheid erkent onze handel niet, meet met twee maten. Als je aan recycling doet door middel van vermaling, komen ze wel over de brug, maar bewaar je de boel in oorspronkelijke staat, dan krijg je geen stuiver. Dat vind ik zo raar. Uiteindelijk is wat ik doe belangrijk voor het milieu: direct hergebruik maakt machines overbodig en er is een enorme besparing op kostbare grondstoffen. Van hogerhand zou het juist gestimuleerd moeten worden. Arboregels, goed dat ze er zijn hoor, bemoeilijken het sloopwerk ook. Geen wonder dat er steeds meer slopers verdwijnen. Ik schat dat er nog zo’n tien over zijn in Nederland.”

Toch lijkt de boterham gezien het nieuwe bedrijfspand van enkele miljoenen, ook zonder subsidie redelijk belegd. In de voorgevel die architect Snelder ontwierp, nagenoeg antieke dakpannen die evenals de koopwaar én de behuizing zo weer kunnen worden opgepakt. De bedrijfsfilosofie ‘oppakken en weg wezen’ is letterlijk in het hele gebouw doorgevoerd.

‘Van alle materiaal 90 procent geschikt voor hergebruik’

Reageer op dit artikel