nieuws

Bevrijding van de architectuur

bouwbreed Premium

Ruim een jaar geleden was ik op een internationaal congres van architectuurhistorici in Berlijn, vorige maand op een even internationaal symposium in Milaan. Beide congressen waren georganiseerd door een lokale universiteit en waren gewijd aan een ook voor architectuurhistorici pittig thema.

In Berlijn was dat ‘historisme in de twintigste-eeuwse architectuur’. Centraal

stond de vraag hoe op verschillende plekken in Europa de (architectuur-)geschiedenis doorwerkt en wordt gebruikt om architectuur identiteit te verlenen. Ook na twee dagen bestonden daarover nog altijd aanzienlijke meningsverschillen

die vooral waren terug te voeren op begripsverwarring.

In Milaan was het congres gewijd aan ‘realisme’ wereldwijd, in de periode 1930-1960. Daarover bleek onder de verzamelde architectuurhistorici nog minder overeenstemming te bestaan.

Dat in Milaan verschillende bekende gezichten opdoken van een jaar eerder in Berlijn was niet gek, de wereld van architectuurhistorici is immers maar klein. Opmerkelijk was wel dat die bekende gezichten geprogrammeerd stonden met een verhaal over hetzelfde onderwerp als het jaar ervoor, ook al was het thema van het congres toen totaal anders dan nu.

Mijn eerste gedachte in Milaan was: ‘Hoor ik hier bij?’ Want al schrijf ik voornamelijk over architectuur die te nieuw is om geschiedenis te zijn, ik ben opgeleid als architectuurhistoricus. Mijn collega’s verschillen kennelijk geen spat van al die architecten die als zij gevraagd worden om een lezing te geven over een bepaald onderwerp toch altijd hun stokpaardje gaan berijden (dat bij architecten doorgaans hun nieuwste ontwerp is en bij architectuurhistorici onvermijdelijk hun lopende onderzoek).

Mijn tweede gedachte was: ‘Wat is dit voor slap vak als ‘ismen’ zo volstrekt inwisselbaar blijken te zijn?’ Met die vraag maar zonder een antwoord daarop besloot ik de verduisterde collegezaal te verlaten. Ik had op dat moment geen zin om dezelfde bekende verhalen in nog eens andere bewoordingen aan te horen. Liever de realiteit van Milaan dan verhalen over het realisme.

Het zou mooi zijn als ik lopend door de stad al op een antwoord was gekomen en op mijn schreden was teruggekeerd, maar dat was niet zo. Eerlijk gezegd bedacht ik me pas weken later dat ik misschien juist wel had moeten blijven. Omdat het helemaal geen teken van zwakte is dat op twee congressen in grote lijnen dezelfde architectuur onder een totaal andere titel wordt besproken.

Zou het niet juist een zwakte zijn als de geschiedenis voor eens en voor altijd vast zou komen te liggen, versteend tot onwrikbare waarheden en clichés? De inwisselbaarheid van termen tekent misschien wel de dynamiek van het vak, ook al is dynamiek het laatste wat je verwacht bij de postzegelverzamelaars die in mijn beroepsgroep zo rijkelijk vertegenwoordigd zijn.

Veel van die beoefenaren van architectuurhistorische haarkloverij zien ‘ismen’ immers als een net, dat steeds strakker moet worden aangetrokken rond de architectuur, net zolang totdat ze uiteindelijk geen vin meer kan verroeren. Of verkondigen het even starre standpunt dat juist vanwege de verstikkende werking van dat net, je maar beter helemaal geen ‘isme’ zou moeten gebruiken als je het over architectuur hebt.

Na de twee congressen en een paar weken bedenktijd, ben ik er meer dan ooit van overtuigd dat je een ‘isme’ niet hoeft op te vatten als een wurggreep. Juist door dingen een (andere) naam te geven, kun je ze bevrijden van verstikking. Want zodra je iets op een andere manier benoemt, kun je er met nieuwe ogen naar kijken en er onvermoede kanten aan ontdekken.

Op deze manier is dit aanvankelijk voor mij helemaal niet zo geslaagde congres toch waardevol gebleken.

Reageer op dit artikel