nieuws

Heilige Huisjes

bouwbreed

Met de woonexpo Gewild Wonen, de woonmarkt en publicatie Heilige Huisjes en verschillende ander initiatieven en manifestaties in het land kan de afgelopen week gerust de Week van het Particulier Opdrachtgeverschap genoemd worden. Met alle sympathie die ik voor het streven naar meer bewonersinvloed heb, is dit doel absoluut niet gebaat bij het automatisme waarmee het wordt vertaald in een ondoordacht programma voor vooral veel meer vrijstaande woonhuizen. Alternatieven met een hogere dichtheid en een meer stedelijk karakter blijven consequent in de schaduw bij de droom van een eindeloos landschap vol vrijstaande woningen. Wie had ooit kunnen denken dat Piet Blom – nota bene geholpen door niemand minder dan Carel Weeber – ooit nog eens gelijk zou krijgen toen hij voorspelde dat ‘de steden dorpsgewijs bewoond’ zouden gaan worden? Blom stond daarbij tenminste nog een stedelijk situatie en hoge dichtheid voor ogen.

Ik vraag me af of de vraag naar het zelf bouwen van een vrijstaand woonhuis wel zo groot is. Snakt iedere Nederlander werkelijk naar het realiseren van een particuliere woondroom op een vrij kavel, of is er sprake van een gebrek aan variatie en keuzemogelijkheden in het bestaande aanbod van koopwoningen? In het boek ‘Heilige Huisjes’, dat deze week verscheen schetst H.J.A. Hofland in een uitgebreid essay een karikatuur van gebouwd Nederland. Het is er dodelijk saai. Achter de gevels, waaraan geen variatie is te bekennen, wonen hopeloos gefrustreerde lieden die dromen van een naar eigen inzicht gebouwd kasteel op een vrij kavel. Kennelijk is Hofland sinds de jaren vijftig geen nieuwbouwwijk meer in geweest, want waar het ook aan schort in de hedendaagse Vinexwijk, niet aan architectonische verscheidenheid. Juist door de ‘gewilde’ architectonische kakofonie en de overmaat aan particuliere vormwil (in dit geval van architect en ontwikkelaar) die er heerst lijken die wijken zo op elkaar.

Geen nieuwe wijk kan Hoflands goedkeuring wegdragen, maar hij wordt opvallend mild als hij door een wijkje met vrije kavels wandelt. Mooi is het volgens hem meestal niet, maar het is wel een feest van individuele cultuuruitingen. Ook wat dit betreft kan ik me niet voorstellen dat hij werkelijk een bezoek aan recente vrije kavelwijken heeft gebracht. Want juist daar slaat de eenvormigheid op grote schaal toe. Dat een uitgebreider aanbod aan cataloguswoningen een gevarieerder beeld zou opleveren is de vraag. Er wordt door de voorstanders nog al eens gewezen op de vermeende voorsprong die Amerika wat dit betreft heeft. Maar als er iets saai, eenvormig en massaal hetzelfde is, dan is dat de gemiddelde Amerikaanse suburb. Straat na straat, huis na huis hetzelfde.

Een vrijstaand woonhuis vraagt ten opzicht van andere verkavelingtypen veel grond en daarmee samenhangende infrastructuur, zelfs als de kavels klein blijven. Een vrijstaand woonhuis is bovendien relatief duur. Ook al worden er in het boek Heilige Huisjes ook andere opties getoond, over het algemeen wordt door de voorstanders van particulier opdrachtgeverschap veel te veel nadruk gelegd op het vrijstaande woonhuis. De noodzakelijke verdichting die in Vinex nog zo belangrijk werd geacht is kennelijk overboord gezet. Alternatieven met hogere dichtheden en meer mogelijkheden tot het creëren van publieke ruimte: het rijtjeshuis, gestapelde bouw en collectieve bouw zijn onder particulier opdrachtgeverschap even goed mogelijk als de vrijstaande woning. Zelf ontworpen rijtjeswoningen, waarbij rooilijn en gevelhoogte vastlagen, maar waar verder alle ontwerpvrijheid bestond, hebben onder meer in Delft en in Amsterdam mooie straatwanden opgeleverd. Ook het opereren als collectief van meerdere opdrachtgevers – al of niet in de vorm van een soort woningbouwvereniging – biedt mogelijkheden. In elk geval kunnen in dergelijke constructies de bouwkosten nog enigszins in de hand worden gehouden. Van gestapelde vrije kavels zijn in Nederland nog geen goede gebouwde voorbeelden, maar in Berlijn (onder leiding van Frei Otto) en Tokyo wel. Het zelf-ontworpen rijtjeshuis en het collectief ontworpen woonblok of de collectief ontworpen woonbuurt zijn niet alleen veel beter toepasbaar in hogere dichtheden en stedelijk situaties, ze zijn ook gemakkelijker in te voegen in bestaande stedenbouwkundige plannen.

En zelfs dan is het nog maar de vraag of Remkes’ uitgangspunt, 30 procent van de nieuw te bouwen woningen onder particulier opdrachtgeverschap, ooit gehaald zal worden. Het is ook maar de vraag of dit nodig is. Als het er om gaat de bewoner meer invloed te geven op de eigen woonsituatie, is er waarschijnlijk veel meer winst te halen onder een veel bredere groep toekomstige bewoners bij aanpasbare, veranderbare woningen, waarbij het opdrachtgeverschap zich vooral uit in de zeggenschap over de indeling van de woning en een keuze uit uitbreidingsopties. En waarbij tevens zorg wordt gedragen dat de woning ook in de toekomst gemakkelijk te veranderen is, want die karakteristiek schiet er bij al die particuliere op maat gemaakte woondromen natuurlijk wel bij in. De toekomstwaarde van de totale woningvoorraad is meer gediend bij veranderbare woningen dan bij een grote voorraad particuliere woningen die niet op verandering zijn toegerust. Het is – ook waar het gaat om een in wezen zinvolle zaak als het particulier opdrachtgeverschap – zaak te voorkomen dat particuliere vrijheid het collectieve belang frustreert.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels