nieuws

Vertrouwen als basis kwaliteit

bouwbreed

Als hobbyhandelaar in kerstbomen (op 7 juni sprak ik hier al over) heb ik geleerd dat onderhandelen vanuit het streven naar successen op de korte termijn, een desastreuze uitwerking heeft als langetermijnbelangen moeten worden behartigd. Het leidt tot een rommelige wereld waarin af en toe financieel leuke successen worden behaald, maar waar uiteindelijk het failliet van velen de boventoon voert.

In mijn vorige column noemde ik al de zienswijze van de Franse econoom Alain Peyrefitte op dit gebied. Deze is verhelderend: volgens hem ligt wederzijds vertrouwen aan de basis van economische

welvaart voor brede lagen van de bevolking, het is zelfs de motor voor veranderingen, zowel technisch als maatschappelijk. Hij hanteerde als voorbeeld de enorme ontwikkeling van het Amsterdam van de 17e eeuw. Het is ook fascinerend te beseffen dat in het Amsterdam van rond 1610 mensen heel ruimdenkend, maar toch concurrerend werkten aan een gemeenschappelijk ideaal maatschappijbeeld.

De woningcorporaties in dit land, hebben zo’n gemeenschappelijk ideaal. Zij willen de mensen met een zwakke positie op de woningmarkt een betaalbare woning aanbieden. Dat kan op lange termijn eigenlijk alleen door woningen te bouwen in hoogwaardige, stedelijke woonomgevingen. Door de kwaliteit van de stad te verbeteren. Op lange termijn is de woonomgeving belangrijker dan de woning zelf.

Dat is een hoogstaand ideaal waarvoor ongehoorde inspanningen nodig zijn. Vele innovaties moeten plaatsvinden, daarvoor moet hard worden geknokt. Met z’n allen. Net als in het Amsterdam van rond 1610, behoeft dit veel wederzijds vertrouwen.

Alle partijen horen hun gesprek te beginnen met de basisvraag: “Waarmee kan ik u helpen?”

Dat zou ook de overheid moeten doen. In plaats daarvan verschansen sommige landelijke bestuurders zich achter een kortetermijnvisie, achter de waan van de dag, en streven ze slechts naar een snel goedkoop succes waarmee ze de aandacht van de media vangen.

De opgave van de huisvesting is immens en ingewikkeld. Tegelijk is zij kinderlijk eenvoudig: we moeten zorgen dat mensen weer gaan houden van de gebouwen én de plek waar deze staan.

Hun huis en hun omgeving moet mensen dierbaar kunnen zijn, al besef ik heel wel dat dit woord ‘dierbaar’ nauwelijks voorkomt in het woordenboekje van architecten en stedenbouwers, laat staan politici die zich formeel begaan achten met huisvesting.

Door mensen totale vrijheid in het gebruik van hun woning te bieden, het omliggende terrein van hun woning rijk en mooi te maken bieden we mensen de mogelijkheid zich te hechten aan hun plek.

Dat klinkt gemakkelijk, maar er is iets zeldzaams voor nodig: bezieling. Iedereen die bezig is met woningbouw moet weer doordrongen raken van het feit dat we iets bouwen voor toekomstige generaties. Dat ‘scoren op de korte termijn’ uit den boze is. Om met architect Dudok te spreken: “Wij moeten dit land mooier achterlaten dan we het hebben aangetroffen”.

Om dat te bereiken is vooral wederzijds, concurrerend vertrouwen nodig. Ik geef toe, ik heb deze term ontleend aan Peyrefitte, maar als je daarmee een totaal nieuw ‘wonder’ in de economie kunt bewerkstelligen, kun je er ook een nieuw ‘wonder’ in de volkshuisvesting mee realiseren.

Als we dat met z’n allen doen, scheppen wij in deze rijke tijd een echt nieuwe Gouden Eeuw. Dan laten we toekomstige generaties woningen achter die ze telkens weer, onder welke omstandigheden ook, kunnen aanpassen aan de wensen van hun tijd.

Laten we wederzijds, elkaar concurrerend vertrouwen. Opdat we de hoogste kwaliteit realiseren in deze nieuwe Gouden Eeuw.

Het was met die nieuwe Gouden Eeuw waarmee ik destijds mijn columns in Cobouw begon, ik beëindig met dat zelfde thema mijn beschouwingen.

Het ga u goed, in wederzijds concurrerend vertrouwen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels