nieuws

Thuis – niet thuis

bouwbreed

In mijn vorige stukje stelde ik dat architecten weinig weten over de zintuiglijke waarneming van de ruimte en mede daardoor nauwelijks in staat zijn bewust, door middel van het scheppen van architectonische ruimte, basale emoties op te roepen. Ik vroeg me daarbij onder meer af of ik ooit een echte, diepe angst had gevoeld in een architectonische ruimte. Niet echt, zelfs niet – of eigenlijk vooral niet – in een spookhuis. Toch is angst de emotie die, sterker dan met de overige kunsten, met architectuur is verbonden.

Angsten en fobieën zijn niet zelden architectonisch van aard. Agorafobie en claustrofobie zijn ruimtelijke fobieën. Onze nachtmerries spelen zich vrijwel altijd af in een architectonische setting: de achtervolging in een nauwe donkere tunnel is zo’n beetje de prototypische angstdroom. De kantelende vloeren en muren, de piepende deuren en de krakende vloeren zijn niet toevallig de ingrediënten van elk zichzelf respecterend spookhuis, ze vormen immers maar al te vaak het decor van onze dromen.

Als het ergens niet pluis is, ‘voelen’ we dat aan de omgeving. En het is pas echt niet pluis als al onze zintuigen op scherp worden gezet: niet alleen een vreemde lichtval of een onheilspellende vernauwing van de ruimte, maar ook vreemde geluiden, onverwachte echo’s, een klamme atmosfeer, een onbekende geur, ruwe wanden of een kille wind dragen bij aan het ‘unheimliche’ van een omgeving.

Voor ‘unheimlich’ bestaat helaas geen goede Nederlandse vertaling. ‘Niet thuis zijn of voelen’ komt waarschijnlijk nog het dichtst in de buurt. Jezelf ergens thuisvoelen is dan de positieve keerzijde van het ‘unheimliche’. Wellicht is het zelfs zo dat de emotie die zich bij uitstek met architectonische middelen laat oproepen, te maken heeft met het wel of niet thuis voelen, met de tegenstelling tussen het vertrouwde en het vreemde. En net zoals al onze zintuigen in onderlinge samenwerking het ‘unheimliche’, het ‘niet thuis’ registreren, hebben we ze nodig om ons ‘wel thuis’ te voelen: de vertrouwde geuren en geluiden spelen daarbij een minstens zo belangrijke rol als het zien van het vertrouwde behang of de familiefoto’s.

Het is de vraag of het vertrouwde, het thuis zijn, in de huidige architectuur nog is te realiseren. Verschillende filosofen hebben erop gewezen dat het modernisme, met als voornaamste programmapunt een radicale breuk met het verleden, het werkelijke thuisvoelen in feite onmogelijk heeft gemaakt. Als de moderne architect zoekt naar vernieuwing dan is dat nieuwe altijd ‘anders’ en dus vreemd, onvertrouwd en uiteindelijk ‘unheimlich’.

‘The Architectural Uncanny’ is, zoals Anthony Vidler in zijn gelijknamige boek uiteenzet, een belangrijk – en in zekere zin onvermijdelijk – kenmerk van moderne architectuur, met als haast karikaturaal voorbeeld de uiterst vervreemdende uitwassen van het deconstructivisme. Dat het ‘vreemde’ van deze vernieuwingen ons na enige tijd al snel weer vertrouwd voorkomt, zoals Hans Ibelings vorige week op deze plaats al schreef, heeft alles te maken met ons aanpassingsvermogen en veel minder met de intenties van de architect. Als het aan de architect ligt, blijft het ontwerp altijd nieuw en dus ‘vreemd’.

Het heeft ook geen zin te trachten het verlies aan het ‘thuisvoelen’ te herstellen door terug te vallen op een traditionele vormentaal. Traditionalistische architectuur werkt – bij mij althans – alleen maar dubbel vervreemdend. Deze architectuur, misschien nog wel meer dan de strikt vernieuwende, richt zich op de gemakkelijk te orkestreren visuele ervaring en gaat daarmee voorbij aan de overige zintuigen, terwijl die nu juist zo’n belangrijke rol spelen bij het ‘thuisvoelen’. Er is ook niets mis met het streven naar vernieuwing, we kúnnen eigenlijk niet anders.

Bovendien is het wel degelijk mogelijk het vertrouwde en het vernieuwende met elkaar in balans te brengen. Het nieuwe hoeft niet per se ‘unheimlich’ te zijn. De huizen van Adolf Loos, Maison de Verre van Chareau en Bijvoet en Fallingwater van Frank Lloyd Wright, zijn onmiskenbaar ‘anders’ – ook nu nog – en tegelijk vond ik ze op een bepaalde manier direct vertrouwd, ook al bezocht ik ze maar één keer. Er valt over deze simultane ‘thuis-niet thuis’-ervaring meer te zeggen dan ik hier kwijt kan. In elk geval wijken deze voorbeelden op een belangrijk onderdeel af van de meeste uitingen van het modernisme. Het zijn geen gladde, steriele, pure ruimten, waar geur, smaak of geluid zijn uitgebannen. Het kan geen toeval zijn dat juist deze voorbeelden een beroep doen op al onze zintuigen. Door een rijk palet aan mogelijkheden tot zintuiglijke waarneming aan te bieden kon ik mezelf, deze impulsen spiegelend aan eerder opgedane ervaringen, tegelijk thuis en niet thuis voelen.

Ik sluit niet uit dat een dergelijke meerduidige ervaring ook is op te roepen binnen een minimalistische architectuur, maar dan is – meer nog dan bij de bovengenoemde voorbeelden – een scherp bewustzijn bij de ontwerper van de totale zintuiglijke waarneming van de ruimte noodzakelijk.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels