nieuws

Grondstrijd Utrecht blijft spannend

bouwbreed

De strijd om een lapje bouwgrond in de Utrechtse Vinexwijk Leidsche Rijn blijft ongemeen spannend. De gemeente Utrecht leek aan de winnende hand toen het gerechtshof in Amsterdam een overeenkomst tussen vastgoedhandelaar Oostveen en een agrariër ongeldig verklaarde. Nu echter de Hoge Raad dat vonnis weer heeft vernietigd en de zaak heeft doorverwezen naar het Haagse gerechtshof, staat de Utrechtse zakenman weer voor op punten.

analyse

Oostveen wil op het lapje grond achttien huizen bouwen, geheel volgens bestemmingsplan van de gemeente Utrecht. Het stadsbestuur wil echter geen zaken doen met de ondernemer. Het heeft voor de realisatie van Leidsche Rijn afspraken gemaakt met grote marktpartijen die gronden hadden verworven. Met behulp van de Wet voorkeursrecht gemeenten (WVG) wilde Utrecht alle overige gronden zelf in handen krijgen.

Dat is echter niet gelukt. Oostveen heeft met een aantal agrariërs overeenkomsten gesloten. Die komen er op neer dat deze grondeigenaren met de hulp van Oostveen zelf woningen realiseren op hun grond. Op die manier vangen ze meer geld per vierkante meter dan de gemeente Utrecht wil bieden. De WVG laat zelfrealisatie toe. Grote vraag en inzet van het nu al jaren slepende juridische gevecht is, of in het geval van Oostveen wel van zelfrealisatie kan worden gesproken.

De Hoge Raad stelt op voorhand in elk geval niet dat daarvan geen sprake is. Dat is dus winst voor Oostveen en verlies voor Utrecht dat nu nog mogelijk anderhalf jaar met een braakliggend stuk grond (alleen de heipalen zitten er in) in Leidsche Rijn zit. Curieus is dat de uitspraak kwam, net nadat Kamerleden van PvdA, D66 en CDA met een initiatiefvoorstel kwamen om de Wet voorkeursrecht te repareren en deals zoals die van Oostveen te ontmoedigen. Bovendien staat deze maandag de Nota grondbeleid op de agenda van de Tweede Kamer.

Gewiekst

Oostveen en een aantal andere gewiekste zakenlieden elders in het land houden niet alleen de juridische wereld, maar ook de politiek aardig bezig. Een feit is dat de Utrechtse onroerendgoedhandelaar van de politieke activiteiten van dit moment weinig te duchten heeft. Kamerleden kunnen nog zo hard roepen dat ze willen komen tot nieuwe wetgeving, die is pas van kracht als de wet of wetswijziging daadwerkelijk een feit is.

De zaak Oostveen valt uiteraard onder de thans geldende wetgeving. Het is daarom nu de vraag hoe het Haagse gerechtshof aankijkt tegen het begrip zelfrealisatie. Cruciaal is de rol van de grondeigenaar, die weigert aan de gemeente te verkopen. Utrecht heeft steeds aangevoerd dat in de kwestie met Oostveen geen sprake was van zelfrealisatie, maar van het omzeilen van de WVG. Immers, de agrariër die eigenaar is van de grond, heeft een dusdanige deal gesloten met de onroerendgoedhandelaar, dat niet kan worden gesteld dat hij zakelijk risico loopt bij de bouw van de huizen.

Het is nu aan het gerechtshof in Den Haag om de vraag te beantwoorden of bij zelfrealisatie de grondeigenaar risico moet lopen. Is dat het geval, dan zullen veel van de overeenkomsten zoals Oostveen die heeft gesloten, nietig worden. Die gaan er immers van uit dat de grondeigenaar wat meer geld voor zijn grond krijgt en de ontwikkelaar die de deal heeft gesloten, de winst van het woningbouwproject opstrijkt. Wordt ook dat tot aan de hoogste juridische instantie als zelfrealisatie gezien, dan kunnen slimme zakenlui als Oostveen nog flink verdienen aan de lapjes grond waarvoor inmiddels deals zijn gesloten.

Zie ook pagina 2.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels