nieuws

Winst nemen op onderhanden werk

bouwbreed

Aannemers brengen een werk van stoffelijke aard tot stand zoals het bouwen van een huis of het aanleggen van een weg voor rekening van een derde. De financiële afrekening vindt plaats op het moment dat het werk wordt opgeleverd. Fiscaal speelt de vraag hoe en wanneer er winst moet worden genomen.

Op het moment van oplevering, verliest het werk de status van onderhanden werk en is sprake van een gerealiseerde opdracht, al dan niet met een debiteurenrisico. Fiscaal wordt winst genomen zodra het werk of een zelfstandig deel daarvan wordt opgeleverd of de tegenprestatie verschuldigd wordt. Bij omvangrijke bouwprojecten en infrastructurele projecten dient vervolgens de vraag zich aan op welk moment een gedeelte van een zaak wordt opgeleverd.

In 1950 oordeelde de Hoge Raad dat bij doorverkoop van een aantal woningen uit een complex huizen, de kostprijs van de resterende huizen niet mag worden gesteld op de kostprijs van het complex minus de verkoopprijs van de verkochte huizen, zoals de belanghebbende wilde. Het volgen van de gedragslijn die belastingplichtige wenste, leidt ertoe dat de winst fiscaal pas wordt genomen zodra de totale verkoopopbrengst meer bedraagt dan de totale kostprijs. Met andere woorden: uitstel van winstneming.

Het Hof Amsterdam oordeelde op 4 mei 1983 in dezelfde lijn. Het ging om iemand die een flatgebouw met achttien verhuurde appartementen kocht en deze opeenvolgend weer verkocht. De winst op een verkocht appartement moest – volgens de rechter – volgens goed koopmansgebruik worden gesteld op de opbrengst, verminderd met 1/18 van de aanschafkosten van alle achttien gelijkwaardige appartementen. De winst moest in het jaar van verkoop worden verantwoord.

Per gebouwde woning

Winst moet per gebouwde woning worden genomen. Een bouwcombinatie realiseerde een uitbreidingsplan van een gemeente. Naast de aanleg van de infrastructuur en nutsvoorzieningen (wegen, plantsoenen en riolering) werden woningen gebouwd. Ieder jaar werd een aantal woningen aan de kopers opgeleverd (zowel particulieren als gemeente). De bouwcombinatie wilde het nemen van winst uitstellen tot het moment waarop de totale opbrengsten de totale kosten zouden overtreffen. De Hoge Raad was het hier niet mee eens: “Aangezien de woningen zelfstandige onderdelen van het uitbreidingsplan zijn en de kostprijs van elke woning afzonderlijk goed is te berekenen, moet er per woning winst worden genomen.”

Hiermee in lijn ligt de uitspraak van de rechter in Den Haag op 18 oktober 1990. Een projectontwikkelaar realiseerde werk dat bestond uit het bouwrijp maken van de grond, het bouwen van woningen en het aanleggen van infrastructuur. De woningen werden in een eerder boekjaar opgeleverd dan de infrastructuur. De projectontwikkelaar wilde de winst uitstellen tot het gehele project was opgeleverd. Het Hof was het hier niet mee eens. De winst op de woningen moest worden genomen zodra de woningen werden opgeleverd. Het desbetreffende gedeelte van de totale winst was moeilijk exact te bepalen. Goed koopmansgebruik laat in zulke gevallen toe, dat men voor zover nodig van schattingen mag uitgaan. De (eventuele) winst op de infrastructuur volgde dezelfde methode en kon worden genomen in het jaar waarin de infrastructuur werd opgeleverd.

Wegenbouwer-arrest

Bovendien heeft de Hoge Raad zich in het Wegenbouwer-arrest uitgelaten over een aantal vraagpunten met betrekking tot winstneming bij het opleveren van een onderhanden werk van stoffelijke aard (HR 26 februari 1997). In dit geval ging het om een wegenbouwer die wegen aanlegde (aanlegcontracten) en onderhield (onderhoudscontracten) voor de Rijksoverheid en andere publiekrechtelijke lichamen. Op de aanleg- en onderhoudscontracten waren de Algemene Voorwaarden voor het uitoefenen van Werken 1968 (AVW 1968) van toepassing. Onderdeel van deze AVW zijn de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1968 (UAV 1968). De UAV 1968 bepaalt dat de geldswaarde van een betalingstermijn, waarvan de hoogte afhankelijk kan zijn van de eindafrekening van het gehele werk, overeenkomt met het bedrag dat de aannemer – gegeven de voortgang van het werk – ‘ontwijfelbaar’ toekomt.

De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat “als er sprake is van een opdracht, een contract voor de aanleg van verschillende wegen, moet dat worden beschouwd als een werk dat is uitgevoerd tegen een aanneemsom.

De wijze van declareren brengt met zich mee dat een voorspoedige gang van zaken bij eerdere bestekposten van het werk tegenvallers bij later uitgevoerde bestekposten geenszins uitsluit. Herziening van verrekenprijzen en verrekening van kortingen worden uitgesteld tot de eindafrekening. Derhalve hebben de termijndeclaraties het karakter van voorschotten op een nog ongewisse uitkomst en niet het karakter van zelfstandige vorderingen die als verdiend kunnen worden beschouwd. Bij contracten voor het aanleggen van verschillende wegen kan de winstrealisatie per opdracht worden uitgesteld tot de aanleg van de wegen is voltooid, of de wegen zijn opgeleverd.

Garantieperiode

Een onderhoudscontract voor wegen moet fiscaal op dezelfde wijze worden behandeld als een contract voor het aanleggen van wegen. De termijn tussen de materiële en de formele oplevering moet als een garantieperiode worden beschouwd. Bij een verwacht verlies op een werk mag een voorziening worden gevormd. Hierbij mag rekening worden gehouden met het constante deel van de (toekomstige) algemene kosten. Doorslaggevend is dat de te verwachten kosten geen bijdrage meer kunnen leveren aan de toekomstige winst. Uit dit arrest lijkt de conclusie getrokken te kunnen worden dat – fiscaal – de methode van voortschrijdende winstneming door de Hoge Raad is verworpen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels