nieuws

Verwarring zonder opzet

bouwbreed

De schade die een contractspartij als gevolg van een wanprestatie van zijn wederpartij lijdt moet door haar vergoed worden. Als de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend is er wel sprake van een tekortkoming in haar contractuele verplichting, maar niet van wanprestatie.

Zo bestaat er in geval van overmacht geen plicht tot schadevergoeding. Dat is het uitgangspunt in de afdeling van het B.W. bij de regeling van de gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis.

In Algemene Voorwaarden wordt nogal eens in zg. exoneratie-clausules afgeweken van dat uitgangspunt. De bekendste regeling in ons bouwrecht over zo’n beperking van de aansprakelijkheid is die in de UAV. Na de oplevering van het werk, zo zegt par. 12, is de aannemer nog maar in twee bijzondere gevallen aansprakelijk voor tekortkomingen aan het werk.

Wat minder bekend dan de UAV is de regeling van de (rechts)verhouding tussen opdrachtgever en adviserend ingenieursbureau, de RVOI 1998. Die bevat een regeling (art. 16 lid 3) waarin de aansprakelijkheid van zo’n bureau beperkt wordt. Er is zelfs in het achtste lid van dat artikel een termijn opgenomen, waarna de bevoegdheid van de opdrachtgever om zich te beroepen op een tekortkoming van het adviesbureau vervalt als hij niet schriftelijk en met redenen omkleed daarover heeft geprotesteerd.

De opdrachtgever moet dat doen “binnen bekwame tijd” na het (moeten) ontdekken van de tekortkoming. Als hij heeft geprotesteerd, maar niet binnen twee jaar na zijn protest een rechtsvordering aanhangig heeft gemaakt, is zijn vorderingsrecht ook vervallen.

Op dezelfde regeling in de RVOI van 1993 beriep zich een ingenieursbureau toen het door een hoofdaannemer werd aangesproken voor de schade die hij had geleden als gevolg van een foutieve berekening. Zijn opdrachtgever had die twee jaar namelijk laten verlopen zonder een rechtsvordering tegen hem in te stellen.

Briefpapier

Op schrikkeldag februari 1996 had de hoofdaannemer van een zoutwaterleidingwerk aan dat adviesbureau opdracht verleend tot het uitvoeren van een complete stress-berekening voor één van de leidingen, die in een tunnel aangebracht moesten worden. Het bureau had daarvoor een offerte uitgebracht, waarin verwezen werd naar de RVOI-1987. Dat was in 1996 wat onnauwkeurig, want de RVOI was in 1993 op dit belangrijke punt ingrijpend veranderd. De regeling heette toen RVOI-1987, maar daaraan was toegevoegd “herziene druk 1993” en zij werd dus niet aangeduid als RVOI-1993, zoals de huidige RVOI-1998 doet. De vraag of de RVOI-1987, dan wel de herziene druk daarvan, van toepassing was verklaard was erg belangrijk omdat in 1987 artikel 16, lid 7 alleen een vervaltermijn van vijf jaar na de beëindiging van de opdracht bevatte.

De hoofdaannemer, opdrachtgever van het adviesbureau, betwistte dan ook dat aan het bureau een beroep op de regeling van 1993, die ook nu in de RVOI van 1998 staat, toekwam. Het had kennelijk vergeten de vermelding van de toepasselijke RVOI op zijn briefpapier te veranderen.

De vraag welke regeling nu van toepassing was, die van 1987 of de herziene versie van 1993, was voor de drie arbiters van de Commissie van Geschillen van het K.v.I. natuurlijk erg belangrijk omdat, als het adviesbureau gelijk had, zijn opdrachtgever inderdaad zijn recht om hem tot schadevergoeding veroordeeld te krijgen, verspeeld had.

Scheidsgerecht

De heren van het Scheidsgerecht vonden het in het algemeen voor de hand te liggen, dat partijen bedoelen om de laatste versie van zo’n regeling van toepassing te verklaren. In dit specifieke geval was er echter, zo vonden zij, bij de opdrachtgever verwarring ontstaan over de vraag welke versie van toepassing was. Zij vonden het onredelijk als de door het bureau zelf veroorzaakte verwarring in zijn voordeel zou werken en ervan zou profiteren, dat zijn opdrachtgever er door zijn toedoen ten onrechte vanuit gegaan was dat de versie van 1987 van toepassing zou zijn. De arbiters vonden daarom dat de opdrachtgever niet verweten kon worden dat hij niet binnen twee jaar na zijn protest een rechtsvordering tegen het bureau had ingesteld.

Subsidiair had het bureau zich beroepen op de aansprakelijkheidsbeperking in de herziene druk van de RVOI-1987, die in artikel 16, tweede lid, de aansprakelijkheid beperkt tot de hoogte van het honorarium. Die stond overigens ook al in de RVOI-1987. Het Scheidsgerecht bezag bij de beoordeling van dat beroep of de wanprestatie van het bureau van dien aard was dat gesproken kon worden van opzet of grove onzorgvuldigheid. Dan zou namelijk de aansprakelijkheidsbeperking in de RVOI-1987 doorbroken worden. De opdrachtgever van het bureau had de engineering van het hele project verzorgd en het bureau was uitsluitend belast met maken van een stress-berekening voor een van de leidingen. De eerste had daarom de berekeningen van het bureau moeten controleren. Ook het lage honorarium van het bureau gaf wel aan, dat de rol van het bureau bij het project maar beperkt was. Van opzet of grove onzorgvuldigheid (nalatigheid)was dan ook geen sprake.

Arbitragekosten

Op de aansprakelijkheidsbeperking van het bureau tot maximaal de hoogte van zijn honorarium kon het zich dus wel beroepen. Dat honorarium bedroeg – 5913,- terwijl de schade begroot was op

– 198.873.-

Niet alleen tot (terug)betaling van zijn honorarium werd het adviesbureau veroordeeld. Een veel groter bedrag aan de arbitragekosten was het kwijt, omdat het wanprestatie had gepleegd: – 34.034,50 en daarbij kwam dan nog de vergoeding van een gedeelte van de buitengerechtelijke kosten van zijn wederpartij. Die werd in redelijkheid vastgesteld op – 5000.-.

Het niet van toepassing verklaren van de RVOI-1993 kostte het ingenieursbureau (nog afgezien van de arbitragekosten en zijn bijdrage aan de kosten van zijn wederpartij) wel bijna zesduizend gulden, maar door de exoneratie-clausule bespaarde het in ieder geval meer dan – 190.000.-.

Een advies aan hen, die onderaan hun briefpapier de toepasselijkheid van Algemene Voorwaarden zoals de RVOI vermelden, om bij wijziging van die Voorwaarden ook die verwijzing op hun briefpier aan te passen, lijkt mij niet overbodig. Het kan een stuk schelen voor wat hun aansprakelijkheid betreft.

(BR 2001 p. 160)

Ter attentie van Margreet Vochteloo:

Ik werd bijna een week geleden opgebeld door een juriste (haar naam is mij ontschoten), die mij vroeg of ik er bezwaar tegen had dat zij een in Bouwrecht gepubliceerd vonnis over een haalbaarheidsonderzoek voor haar Cobouw-artikel gebruikt. Zij vertelde mij dat met haar afgesproken is, dat zij voor Cobouw-artikelen geen Bouwrecht-publikaties zou gebruiken. Ik neem aan dat dit ook met andere verzorgers van de juridische rubriek op jouw opinie-pagina is afgesproken. Als dat ook aan Barbara A. Zoon is gezegd, zou zij bij het nakomen ervan vermeden hebben dat in Bouwrecht op 8 maart 2001 weer een stukje over het vonnis van 27-1-2000 verscheen na mijn artikel “Boktor knabbelt aan notariële akte” van 16 oktober vorig jaar.

Misschien is het goed, dat met de nieuwe auteurs afgesproken wordt dat zij -voor het geval dat zij na 1 juli a.s. uit Bouwrecht van vóór die datum willen putten- even met mij bellen om te vragen of ik dat al heb gedaan. Anders krijgen we weer duplicaten.

Het vermelden van de vindplaats van het besproken vonnis heeft toch wel zin. Ik kreeg nu de vraag van een advocaat waar het vonnis is gepubliceerd dat op 2 maart in Cobouw stond.

Math.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels