nieuws

Learning from the seventies

bouwbreed

De laatste bloeiperiode in de woningbouw dateert uit de jaren zeventig. Ik weet dat veel architectuurliefhebbers me na zo’n opmerking onmiddellijk voor gek zullen verklaren, maar dat komt door de hardnekkige gewoonte om tegenwoordig alleen nog maar naar architectuurplaatjes kijken en niet meer naar basale zaken als bouwtechnische kwaliteit, woonoppervlak, speelruimte voor kinderen en typologische experimenten.

Ook ik wil best toegeven dat het aan architectonische schoonheid ontbrak in die jaren – hoewel het veel minder erg was als sommige hedendaagse architecten zichzelf wijsmaken. Je kunt je echter afvragen wat je als bewoner hebt aan fraaie plaatjes als je die hedendaagse schoonheid moet ervaren vanuit krappe woonruimten, waar het enige voordeel lijkt te zijn dat je het plafond met gemak

zonder trap kunt schilderen. Waar je als nieuwe koper een rechtsbijstandsverzekering en lidmaatschap van de Vereniging Eigen Huis nodig hebt om het dichten van de kieren in je gloednieuwe huis af te dwingen. En waar je de kinderen met geen stok meer van achter de spelcomputer krijgt, omdat er buiten met de beste wil van de wereld niet meer gespeeld kan worden.

Een goede vriend van mij verhuisde een jaar of vijf geleden naar zo’n typische jaren zeventig woning in zo’n doodstille wijk aan de rand van de stad. Ik begreep er niks van. Hij kwam uit het hartje van de binnenstad en ging naar een slaapwijk ver van het dynamische uitgaansleven. Het huis zelf, daar kon ik nog wel inkomen. Het was groot, niet duur, goed gebouwd en goed onderhouden. Zelf woon ik in zo’n gewild jaren dertig pand, waaraan je blijft schilderen en timmeren, dus dat voordeel zag ik wel. Maar de woonomgeving, dat was toch te erg voor woorden! Ik heb mijn mening moeten herzien. Niet dat ik hem snel achterna zal gaan, maar die woonomgeving is zo slecht nog niet. Hoewel de dichtheid van de wijk vrijwel gelijk is aan de huidige Vinex-wijken, hebben die vermeende knoeiers van stedenbouwkundigen van toen het wel voor elkaar gekregen om de auto een plaats te geven en om voldoende veilige speelruimte over te houden. Bovendien zijn de woningen in zijn wijk met hun achterzijden gegroepeerd rond een royaal bemeten groenzone. De achtertuinen zelf zijn klein, maar staan in open verbinding met de groenstrook. Na meer dan twintig jaar zijn de bomen volwassen geworden en genieten de bewoners van een collectief park van landgoedachtige omvang en allure, waar het bovendien veilig en spannend spelen is. Een simpel idee, zo’n collectieve tuin, maar we geloven er tegenwoordig niet meer in. Het zou onveilig zijn, niet te onderhouden en niet meer passen in onze geprivatiseerde samenleving. Dat blijkt reuze mee te vallen. Het is eerder zo dat de marktpartijen er geen winst meer in zien dergelijke voorzieningen voor hun kopers aan te leggen en dat de architecten en stedenbouwkundigen tegenwoordig geen weerstand meer bieden tegen dit particuliere belang van de markt.

In een groot artikel in Cobouw van een week geleden vraagt zich af of de balans tussen particuliere vrijheid en collectief belang niet te ver dreigt door te slaan naar ongecontroleerde vrijheid. Zijn kanttekeningen zijn terecht. Het collectieve belang, de openbare ruimte en de woonkwaliteit voor groepen die niet zo gemakkelijk voor zichzelf kunnen opkomen, zijn zaken waarvan we niet zonder meer mogen verwachten dat ze door ‘de markt’ of door de calculerende particulier zullen worden behartigd. Toch ben ik minder bang voor een terugtrekkende overheid. Het feit dat de collectieve tuin in de wijk van mijn vriend nog steeds functioneert, toont aan dat er nog genoeg mensen zijn die gezamenlijke verantwoordelijkheid willen dragen om een collectief belang te dienen. Daarvoor moeten ontwerpers dan wel de voorwaarden scheppen, ze moeten er dan wel in geloven en ze moeten hun opdrachtgevers er wel van overtuigen dat zoiets zin heeft. Tussen het collectieve maatschappelijke belang en het strikte privé-belang ligt het belang van de (beperkte) groep. Die middenweg, het aanspreken van een groep (buurt)bewoners op de voordelen van samenwerken en het dragen van collectieve verantwoordelijkheid voor de directe woonomgeving, zou wel eens één van de uitwegen uit het dilemma kunnen zijn. In elk geval lijkt het me zinvol dat marktpartijen en ontwerpers gedwongen worden tot grondige studie en excursies naar de vergeten hoogtepunten uit de volkswoningbouw van de jaren zeventig. Er valt daar nog veel te leren. Kruis de verworven ontwerpvaardigheden van nu met de maatschappelijke, bouwtechnische en typologische verworvenheden van toen en wie weet wordt het nog wat in de tweede eeuw van de Woningwet.

Piet Vollaard Architect, directeur Archined.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels