nieuws

Past het UAR2001 nog wel bij een veranderende overheid?

bouwbreed Premium

Sinds 1 september 2001 is het UAR2001 van kracht geworden. Verplicht voor aanbestedingen van werken die worden uitgevoerd door de ministeries van V&W, VROM en Defensie onder de Europese drempelwaarden; en vrijwillig toe te passen door alle overige overheden en private organisaties in Nederland. In een tijd waarin de overheid zich op het gebied van inkoop en het uitvoeren van aanbestedingen sterk aan het veranderen is, rijst de vraag of het nieuwe UAR 2001 eigenlijk nog wel aansluit bij die ontwikkelingen, en of overheden het nieuwe reglement nu en in de toekomst als toepasbaar zullen ervaren bij het uitvoeren van aanbestedingen.

Binnen overheden is een aantal ontwikkelingen gaande die naar verwachting de komende jaren veel invloed hebben op de inkoopfunctie en de wijze waarop aanbestedingen worden uitgevoerd. Het Actieplan Professioneel Inkopen en Aanbesteden, met als doelstellingen meer innovatief, meer elektronisch en meer Europees aanbesteden, zal zijn effect hebben vanuit de departementen naar de lagere overheden. Diverse overheden ondernemen daarnaast acties om de eigen inkoopfunctie te verbeteren door bijvoorbeeld het aanstellen van inkoopdirecteuren of -coördinatoren, het inrichten van aanbestedingsbureaus en het initiëren van kennisuitwisseling binnen en tussen overheden op het gebied van inkoop en aanbesteden.

Het ultieme doel hierbij is te zorgen dat overheden belastinggeld niet alleen rechtmatig en doelmatig, maar ook efficiënt besteden. Hiervoor dient de overheid niet alleen zichzelf op inkoopgebied te verbeteren, maar ook te zorgen voor voldoende gebruikmaking van de kennis die marktpartijen hebben en het zorgen voor optimale concurrentie op de leveranciersmarkt. Kortom, de overheid is bezig haar inkoop- aanbestedingstrajecten verder te professionaliseren.

Een belangrijke ontwikkeling bij het gebruikmaken van kennis van de markt en het zorgen van voldoende concurrentie is het innovatief aanbesteden. Dit houdt in dat bij de voorbereiding van een aanbesteding goed wordt nagedacht op welke wijze maximale marktwerking en concurrentiestelling behaald kan worden door bijvoorbeeld meer functioneel te specificeren en daar vervolgens de juiste contractvorm bij te kiezen. Dit alles met de juiste risicoafwegingen. Aannemers dienen met oplossingen te komen binnen het functionele bestek en niet met een prijs op een voorgeschreven technisch bestek. Rijkswaterstaat en Economische Zaken zijn binnen de Rijksoverheid de grote aanjagers op het terrein van innovatief aanbesteden.

Termijn opgerekt

Dit innovatief aanbesteden speelde in eerste instantie alleen in de aanbestedingen boven de Europese drempels (groter dan 11,8 miljoen gulden); momenteel wordt ook onder deze drempel regelmatig innovatief aanbesteed. De verwachting is dat dit alleen maar verder zal toenemen. Een te hanteren aanbestedingsreglement zal hier dus wel geschikt voor moeten zijn.

In het UAR 2001 zijn ten opzichte van het UAR 1986 veranderingen doorgevoerd die gericht zijn op het verbeteren van bestaande processen. Zo is de anti-leur regeling opgenomen, zijn er elementen opgenomen die de administratieve last voor aanbesteder en inschrijver verlagen en wordt er met de optionele tegemoetkoming in de offertekosten en procedures rond alternatieven een stimulans gegeven om creativiteit en inzet van inschrijvers te ‘belonen’. Aanbesteders zullen in dit laatste geval zich wel moeten realiseren dat de bestaande minimale termijnen opgerekt moeten worden om inschrijvers ook daadwerkelijk de tijd te geven om innovatief en creatief te offreren.

Het reglement richt zich met name op het aanbesteden van standaardbestekken en gunning tegen de laagste prijs: de aanbestedingsvorm die voor de meeste werken nog steeds de geëigende manier is. Andere aanbestedingsvormen zijn wel mogelijk, qua bestekken en te hanteren criteria, maar het reglement gaat hier niet van uit.

Overheden die nu en in de toekomst standaardbestekken willen aanbesteden via de traditionele manier van gunnen tegen de laagste prijs hebben aan het UAR2001 een prima reglement. Men wordt zelfs nog geprikkeld om te bepalen of men gebruik wil maken van diverse opties die als achterliggende gedachte het stimuleren van creativiteit en inzet van inschrijvers hebben.

Minder geschikt

Als overheden er bewust voor kiezen om van deze traditionele manier van aanbesteden af te wijken, door meer gebruik te maken van de kennis van marktpartijen of te zoeken naar creatieve oplossingen, dan zullen zij het UAR 2001 als minder geschikt ervaren. Het gunningscriterium laagste prijs verandert bijvoorbeeld dan alleen al in een reeks gunningscriteria waaronder bijvoorbeeld de door de inschrijver voorgestelde technische oplossing in relatie wordt beoordeeld tot de totale kosten van bouw, onderhoud en andere kostenaspecten. Veelal worden business cases voor de levensduurkosten opgesteld om vooraf de haalbaarheid van een project te bepalen en achteraf offertes op te beoordelen.

Overheden die niet verplicht zijn tot het aanbesteden volgens het UAR 2001, zullen zich in dit geval afvragen of het aanbesteden via UAR 2001 of UAR 1986 wel de meest optimale weg is. Zij overwegen wellicht buiten de reglementen om aan te besteden of een eigen specifiek reglement te hanteren, al dan niet gerelateerd aan de Richtlijn Werken.

Management Consultants (www.pwcglobal.com/nl/ppu)

Reageer op dit artikel