nieuws

Onbevoegde vertegenwoordiging terugkerend probleem

bouwbreed Premium

De praktijk van het bouwrecht heeft grote betekenis gehad voor de ontwikkeling van het leerstuk onbevoegde vertegenwoordiging. Het gaat bij dit leerstuk om de vraag wat rechtens is indien een persoon zegt in naam van een ander te handelen, maar diegene in wiens naam hij handelt, daartoe geen toestemming heeft verleend.

In de ‘leading case’ van dit onderwerp (overigens uit 1927), Vas Diaz/Salters oordeelde de Hoge Raad dat de gebondenheid van de pseudo-vertegenwoordigde, Vas Diaz, aan rechtshandelingen van zijn architect (de onbevoegde vertegenwoordiger/tussenpersoon) verricht met Salters (de derde) niet kon worden aangenomen. De reden die de Hoge Raad hiervoor aanvoerde was, dat Salters alleen was afgegaan op de mededelingen van de architect en niet op uitingen of gedragingen van Vas Diaz.

Het is de vertegenwoordigde zelf, die moet aangeven dat hij zich laat vertegenwoordigen en als hij het niet zegt, is hij in beginsel niet vertegenwoordigd. Dit kan anders komen te liggen indien een persoon de schijn wekt dat hij zich laat vertegenwoordigen. Als hij een dergelijke schijn opwekt, daarbij suggererend dat X bevoegd is hem te vertegenwoordigen, dan zal, als het aldus bij Y opgewekte vertrouwen gerechtvaardigd is, een rechtshandeling/overeenkomst ontstaan tussen Y en de vertegenwoordigde.

Moet hij die schijn per se opwekken door het maken van bepaalde opmerkingen? Nee, in een eveneens bouwrechtelijke zaak heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat ook uit een gedraging een schijn van bevoegdheid kan worden afgeleid.

Vertegenwoordiging komt veel voor, de UAV 1989 staan vol met bepalingen waarin de directie bevoegd wordt verklaard om de opdrachtgever te vertegenwoordigen. En wie zich bezighoudt met de ‘ins and outs’ van de directievoering ontkomt niet aan het juridische vertegenwoordigingsleerstuk.

Vertegenwoordiging is dan ook een probleem dat met enige regelmaat in de jurisprudentie weerkeert, getuige het novembernummer van Bouwrecht, waarin twee uitspraken van de Raad van Arbitrage zijn opgenomen. In beide gevallen werd tevergeefs gesteld dat sprake zou zijn van bevoegde vertegenwoordiging.

Verwevenheid

Het eerste geval, nr 21.579, d.d. 3 november 2000, betrof een gestelde verwevenheid van vennootschappen, ertoe leidend, volgens de aannemer, dat M, directeur van de bv M, de onderneming W kon binden.

Arbiters denken daar anders over. Uit het Handelsregister leidt het scheidsgerecht namelijk niet af, dat sprake is van enige verwevenheid van M met W of dat M bevoegd was W te vertegenwoordigen. Dat beide vennootschappen kantoor hielden op hetzelfde adres, dat de vennootschap van M’s vader de administratie verzorgde en dat sprake is van een familieband tussen de beide directeuren/enig aandeelhouders doet daaraan niet af. Hetzelfde geldt voor een door M afgegeven visitekaartje met het logo van W en het voorkomen van de titel ‘De W-groep’ op een voorblad van een fax van M aan de aannemer.

Er is verder alleen een verklaring van de heer K, inhoudende dat hij van een medewerker heeft vernomen dat M zich presenteerde als vertegenwoordiger van W.

Nu ook niet blijkt van gedragingen van de zijde van W of van andere omstandigheden die voor rekening van W komen, komt het scheidsgerecht tot het oordeel dat de aannemer ten onrechte vertrouwde dat hij met iemand zaken deed die W kon binden.

In het tweede geval, nr. 22.0901, d.d. 15 november 2000, stelt de derde (G), dat zijn vermeende wederpartij (M) de schijn heeft gewekt dat de tussenpersoon (Z) bevoegd is tot vertegenwoordiging. Er zou dus een rechtshandeling tussen G en M tot stand zijn gekomen.

Gewekte schijn

Arbiter overweegt dat (G) die gewekte schijn niet aannemelijk heeft gemaakt. Wat G namelijk aanvoerde werd door de arbiter als onvoldoende van de hand gewezen.

Wat had G onder meer aangevoerd? G zou Z hebben gemachtigd een bouwaanvraag in te dienen voor onder meer de woning van M, dat Z, volgens G, aan G had verzocht ‘vooral geen contact met M op te nemen’ en alles via Z te laten lopen’ en dat M pas contact met G zou opnemen toen de bouw al ver gevorderd was.

Voor arbiter was dit dus niet voldoende. Dit oordeel is terecht, want het zijn overwegend uitingen afkomstig van een ander dan de vertegenwoordigde zelf.

Ook helpt het beroep op par. 3 lid 2 UAV 1989 G niet. Volgens die bepaling is de opdrachtgever verplicht schriftelijk te melden dat geen directie wordt gevoerd, dat is niet gebeurd. Nalaten van deze mededeling is onvoldoende om aan te nemen dat bij G het vertrouwen is gewekt dat door Z directie zou worden gevoerd. Par. 3 lid 2 ziet, zo legt arbiter uit, op het geval dat de opdrachtgever in eerste instantie de intentie heeft directie te voeren maar daar later van afziet. Maar het enkele feit dat naar de UAV 1989 wordt verwezen is onvoldoende om aan te nemen dat van een dergelijke intentie sprake was.

G mocht dus niet aannemen dat Z bevoegd was om M te vertegenwoordigen.

Reageer op dit artikel