nieuws

‘Onbeschoft hoe alle kritiek naar de aannemers gaat’

bouwbreed

In de bouwfraudeaffaire wordt de aannemerij volkomen ten onrechte door het slijk gehaald. Wie in de beklaagdenbank thuishoren zijn volgens de Rotterdamse architect P.J. Gerssen de opdrachtgevers. Met voorop in de rij de Nederlandse overheid. Door onkunde, vriendjespolitiek en steekpenningen verbrassen de bestuurders in zijn ogen jaarlijks voor miljarden aan belastinggeld. “Onbeschoft hoe de overheid alle kritiek bij de aannemers neerlegt. De bouwbedrijven worden tot op het bot uitgekleed.”

Gerssen komt tot zijn vernietigende oordeel op basis van ervaringen met Rijkswaterstaat en als geselecteerd ontwerper van projecten zoals het stadhuis van Den Haag en het provinciehuis van Zuid-Holland.

Voor Gerssen is niet minder dan logisch dan dat aannemers in achterzaaltjes tot afspraken komen. Puur een kwestie van zelfverdediging. “De opdrachtgevers weigeren hun eigen problemen zelf op te lossen. Ze schuiven schaamteloos de moeilijkheden in andermans schoenen. En maar eisen stellen ten aanzien van kwaliteit, bouwtijd en prijs! De projecten duren dikwijls jaren. Je hebt een geweldig apparaat nodig om nota bene voor een ander de kosten uit te rekenen. Al die inspanningen moeten natuurlijk wel ergens van worden betaald.”

De architect denkt met weemoed terug aan het oude systeem van de rekenvergoedingen. “Die methode werkte prachtig. Iedereen wist heel open hoe de werkwijze was. Wie betaalt na het verbod de vergoedingen? Er zijn veel te veel infrastructurele werken op de markt gekomen. Iedereen kampt met onzekerheden ten aanzien van het personeel en de financiering. Ik heb met de bouwopzetjes geen enkele moeite.”

Gerssen ziet Nederland als één groot kartelland. “Iedereen kent iedereen en de regelgeving is zeer uitgebreid. Geen ontsnappen aan. Ik heb altijd geprobeerd niet besmet te raken. Alles in het besef dat hoe meer je vraagt, des te duurder jouw product wordt. Op een enkele keer na heb ik mijn werk nooit openbaar aanbesteed. De kosten ken ik als de beste, beter waarschijnlijk dan de aannemer. Daar bovenop komt een redelijke prijs voor de overhead en de winst. Over wat hij moet bouwen, worden we het wel eens.”

Als voorbeeld van zijn aanpak noemt Gerssen het Fläktgebouw in Amersfoort. “Toen ik voor de financiering bij Zadelhoff was, riepen ze ‘rondbouw is strontbouw’. Later kreeg ik het compliment als eerste in Nederland de rondbouw financierbaar gemaakt te hebben.”

Hapklaar

In het besef dat de moeilijkheidsgraad van de drie cilindrische gebouwen voor aannemers lastig was in te schatten, splitste Gerssen zijn werkstuk in hapklare brokken. “Ik had 360 taartvormige vloerelementen nodig, 360 dragende wandelementen en 25 kolommen. Met kleine tekeningetjes ging ik de markt op. De prefab-boeren vroeg ik naar de kosten. Hoeveel beton nodig was? Dat ging hen niets aan. Nergens een afwijking? Dan antwoordde ik dat ze toch zeker wel tekeningen konden lezen.”

Vijf aannemers werden uitgenodigd een bod te doen. “Natuurlijk hadden de inschrijvers met elkaar gesproken. Maar ik wist ook dat eentje niet tot de club behoorde. De laagste inschrijver kwam met twee prijzen. Het bedrijf had nog wel een gaatje over, maar dan moest binnen twee weken worden begonnen. Later starten – wat ik wilde – was een stuk duurder. Toen ik hem vertelde een andere relatief goedkope aanbieder te hebben, ging hij vlot door de knieën. Het gebouw werd gerealiseerd tegen een kubiekemeterprijs die de helft bedroeg van wat men destijds gewend was uit te geven. De moraal van het verhaal: heb verstand van zaken en vraag niet zomaar in het wilde weg. Overleg met de bedrijven, zodat geen onnodig afval ontstaat. De prijs daalt dan gigantisch.”

Op pagina 2: ‘Overleg met bedrijven, dan daalt de prijs gigantisch’.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels