nieuws

Graafmachines ruimen bommen en granaten

bouwbreed

AVG Milieutechniek Heijen, onderdeel van het bedrijvenagglomoraat AVG uit Gennep, ruimt munitie uit de Tweede Wereldoorlog op met speciaal voor het werk gepantserde graafmachines. De kogels, bommen en granaten zijn de overblijfselen van oorlogshandelingen in de buurt van Venlo.

De machines van AVG, van het merk Orenstein en Koppel (O&K), zijn voorzien van ofwel een pasklare, zelfontwikkelde ‘overzet’-cabine danwel af fabriek geleverde speciaal raamwerk. In beide gevallen zijn de machines versterkt met bodemplaten. De machinisten hebben tot nu toe zo’n zeventig stuks munitie geborgen, pas twee keer is er ook iets ontploft.

“Maar we kunnen geen risico’s nemen”, zegt Tim Verstegen, milieukundig adviseur bij AVG. Hij is zowel bij de voorbereiding als bij de uitvoering betrokken. “We werden bij dit project gehaald toen de aannemer bij het uitbaggeren van de Venkoelen steeds meer munitie boven water haalde. Want wij hebben inmiddels aardig wat ervaring met dit soort werk. We werken nauw samen met de Explosieven Opruimingsdienst, de EOD van het leger.”

De bedoeling was dat de plas Venkoelen, mogelijk een stokoude meander van de Maas in het fraaie natuurgebied Zwarte Water pal ten noorden van Venlo, zou worden uitgebaggerd en ontdaan van ongewenst groeisel. Om de plas te kunnen laten ontwikkelen tot een natuurlijk water met rijzende en dalende waterspiegels wordt ook het voedende beekje, dat veel door landbouwgif verontreinigd water meevoert, omgeleid.

Onderzoek

“Het water werd uit de Venkoelen gepompt en de aannemer begon te baggeren tot de grillig verlopende grondlaag”, zegt Verstegen. “Toen steeds meer munitie naar boven kwam, is het werk voor nader onderzoek stilgelegd.”

Uitvoerder John Raafs van AVG legt uit hoe het onderzoek is verlopen. “De Duitse archieven en die van de Britse luchtmacht RAF en de Amerikanen geven exact aan welke bommen waar zijn gedropt. In het Zwarte Water was dat niet zelden als de geallieerden op de terugweg waren van bombardementen op Duitse steden. Verder zijn er de gemeentearchieven. En niet onbelangrijk: de verhalen van de oudere inwoners. Dat, samen met seismische onderzoeken, moet een compleet beeld leveren.”

Zo ook in het Zwarte Water. Bovendien zijn er na de Tweede Wereldoorlog zogenoemde springputten gegraven. Men dacht daarin de gevonden munitie te kunnen deponeren, toedekken met springstof, laten ontploffen en vervolgens zou alle gevaar geweken zijn. Dat dacht men toen. Nu weet men dat maar een klein deel daadwerkelijk ontplofte. Een groot deel van de onontplofte munitie verdween door de explosie verder de bodem in en een ander groot deel werd door de luchtdruk onontploft in het natuurgebied verspreid.

“In dit natuurgebied hebben we uit archiefonderzoek die springputten kunnen lokaliseren”, zegt John Raafs. “Willen we het gebied veilig maken, dan zullen aanvullende onderzoeken nodig zijn en dan moeten de beheerders van dit gebied op een goede manier de resten van die springputten laten verwijderen. De onontplofte munitie uit de putten kan tot een paar honderd meter zijn weggeslingerd. Pas als dat weg is, is dit natuurgebied honderd procent veilig.”

Onthutsend

Dat levert het onthutsende beeld op dat een halve eeuw lang vele tienduizenden mensen hebben gewandeld, paardgereden en gefietst in een gebied waar nog vele tonnen onontploft TNT aan bommen en granaten liggen.

“Maar nu maken we er werk van”, zegt Raafs. “Er zijn talloze van dit soort gebieden. De gespecialiseerde bedrijven, de civiele exlosieven-opsporingsbedrijven hebben zich verenigd. De EOD trekt zich in Nederland wat terug, althans op het uitvoerende vlak, en richt zich meer op missies in Joegoslavië, Cambodja, Somalië en dergelijke. Dat betekent dat er steeds meer particuliere bedrijven komen met specifieke kennis over munitie, springstoffen en ander oorlogstuig.”

Onderdeel daarvan is ook de preparatie van het materieel. Want ook dat moet worden beschermd tegen ongewenste ontploffingen. “Met de EOD zijn we gekomen tot een aantal kwaliteitseisen. Niet alleen voor de aanpak en uitvoering van het project, ook wat betreft de inzet van het materieel”, aldus Raafs. “In de zwaarste categorie praat je over machines die in staalplaten zijn ingepakt, waarbij alleen een streepje zichtvenster overblijft. Waar wij het over hebben is de categorie 2, waarbij het vooral gaat om de bescherming van de machinist: een beschermde cabine en bodemplaten die bepaalde explosies kunnen verdragen.”

Explosies

“De mate van bescherming is afhankelijk van de kracht van de explosies die mogelijkerwijs kunnen voorkomen op basis van historisch archiefonderzoek. Er liggen hier geen 500-ponders en ook geen atoombommen. Wat er wel ligt aan bommen en granaten overstijgt een bepaalde explosiekracht niet. En daarop baseren wij de pantsering van onze machines.”

Aanvankelijk maakte AVG in eigen werkplaats zogenoemde overzet-cabines.

Raafs: “De modellen van de machines veranderen voortdurend. Logisch ook. Maar als we een overzet-cabine hadden gemaakt, bleek er weer een model te zijn, waarop de cabine niet paste. Bovendien hebben we te maken met condensvorming tussen de twee lagen, met stof tussen de ruiten die we er niet meer tussenuit kunnen krijgen, met de montage van ruitenwissers, dat soort zaken.”

“En dus kijken we ook steeds meer naar mogelijkheden om de machine af fabriek te kunnen aanpassen. De berekeningen van de bepantsering voeren we uit in samenwerking met de EOD, zodat we zoveel mogelijk machines voor specifieke klussen kunnen inzetten. En een bijkomend probleem blijft dan het gewicht van de machines”, zegt Raafs. “Want ook voor deze klus in het Zwarte Water hebben we rupsmachines ingezet, die op rijplaten moeten staan om niet in de prut weg te zakken. Bepantsering betekent hoe dan ook extra gewicht.”

AVG Milieutechniek heeft O&K-graafmachines met zowel zelfontwikkelde overzetcabines als met extra gepantserd glas ingezet.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels