nieuws

Schuur met smartengeld

bouwbreed

Wat in juridische zin onder het begrip schade moet worden verstaan is niet door de wetgever geregeld. Die zegt alleen in welke gevallen schade moet worden vergoed en waaruit schade kan bestaan: vermogensrechtelijk nadeel en ander nadeel. Met dat laatste bedoelt hij de zogenaamde immateriële schade, die eigenlijk niet in geld is uit te drukken. Dat daar toch een vergoedingsplicht voor bestaat moet het veroorzaakte leed enigszins verzachten. Zelfs een houten schuur kan ‘smartengeld’ kosten, meldt mr. Math. Verstegen.

Er heeft zich kort geleden een geval voorgedaan, waarbij de vraag beantwoord moest worden of er wel schade was geleden. Een koper/aanbesteder van een huis, die recht had op een stenen berging, constateerde tijdens de bouw dat er een schuimbetonvloer was gestort. Daarop kunnen geen muren gemetseld worden en dus eiste hij van de bouwer dat hij een (onderheide) vloer zou leggen waarop de stenen wanden kunnen worden gemetseld.

Maar de Raad van Arbitrage, waarbij hij die vordering instelde, kwam in twee instanties tot de conclusie dat het belang van de opdrachtgever bij de stenen berging in geen verhouding stond tot het belang van de aannemer. De kosten van het aanbrengen van wapening en zwaardere randbalken in de te onderheien vloer maakten volgens de Raad dat belang zoveel zwaarder dat die eis werd afgewezen en alleen de subsidiaire eis tot schadevergoeding aan de orde bleef.

Red cedar

Bij de beoordeling van die eis overwoog de Raad, dat er er geen sprake was van een lagere inbraakveiligheid als gevolg van de houten wanden, wel dat er misschien een iets hogere brandverzekeringspremie betaald zou moeten worden.

Het toepassen van red cedar zou wel een “reële schade” kunnen opleveren, maar dat zou alleen het geval zijn als de eiser de oorspronkelijke kleur van deze houtsoort zou willen handhaven. Red cedar is namelijk vrijwel onderhoudsvrij. Dit, met “reële schade” door de arbiter aangeduide nadeel, zou dus zowel een schade van zowel materiële als van immateriële aard zijn.

Maar enkele afwegingen doen vragen rijzen. Duidelijk was dat de aannemer minder kwijt zou zijn aan de bouw van een berging met houten wanden dan met stenen muren. Hij kon zich niet alleen het onderheien van de vloer besparen, ook de wapening en randbalken konden weggelaten worden en aan de muren zou hij meer arbeids- en materiaalkosten kwijt zijn geweest dan aan houten wanden.

Hoe veel dit hem bespaard heeft is niet precies te zeggen want de arbiter wees op billijkheidsgronden een bedrag toe van 4500 gulden en daarin zaten ook het materiële en immateriële nadeel, waarvan hij het bestaan al eerder had vastgesteld. Laten we eens aannemen dat die besparing van de aannemer vierduizend gulden bedroeg. Was dat nu een schade van de koper/aanbesteder? Het is in ieder geval geen (materiële) vermogens-schade, want de arbiter had al vastgesteld dat door de houten wanden de waarde van de woning op de vrije markt niet lager zou zijn dan wanneer er muren gemetseld waren. En het enige immateriële aspect, dat hij in aanmerking nam, was de mogelijkheid dat de eigenaar van het huis er prijs op zou stellen dat het red cedar dezelfde kleur zou behouden. Of dat zo was heeft hij hem waarschijnlijk niet eens gevraagd.

‘Goede mannen’

Deze rechter had het wat gemakkelijker dan de gewone rechter gehad zou hebben. Arbiters zijn immers formeel niet aan de wet gebonden omdat zij als “goede mannen naar billijkheid beslissen”. De gewone rechter had in dit geval met het probleem gezeten dat er haast geen materiële schade was, tenminste als hij ook tot de conclusie was gekomen dat de houten wanden geen vermogensschade opleverden.

En welke immateriële schade had hij kunnen vinden? Niet de besparing van de kosten van de aannemer, want het goedkoper werken van hem met als resultaat eenzelfde waarde, levert op zich ook geen onstoffelijke schade voor de aanbesteder op! Hij had zich mogelijk kunnen redden met toepassing van de bepaling in artikel 2, tweede lid van boek 6 BW, dat een krachtens de wet geldende regel niet van toepassing is als dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Maar de vraag of dat hier het geval was, is niet beantwoord. Ik denk dat de gewone rechter hier de primaire eis zou hebben toegewezen. De bouw van de berging was immers nog maar net begonnen en het storten van een nieuwe vloer, zoals hij verplicht was volgens de technische omschrijving bij de overeenkomst, zal toch niet veel meer dan het door de arbiter toegewezen bedrag gekost hebben.

(BR 2000 p. 1071)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels