nieuws

Overvloed en onbehagen

bouwbreed

De Nederlandse architectuur staat sinds enkele jaren in het brandpunt van de internationale belangstelling. Dat komt door een unieke combinatie van veel talentvolle architecten, een aanzienlijk aantal opdrachtgevers die deze ontwerpers de ruimte willen geven en een gunstig klimaat voor de architectonische cultuur. En ook dankzij een overheidstimulering met nota’s, beleid en subsidie. Buitenlandse critici steken er de loftrompet over en buitenlandse architecten kijken er met afgunst naar.

Wie echter afgaat op wat er binnen Nederland wordt geschreven over dit huidige succes, krijgt een totaal ander beeld. Bijna in koor hoor je de Nederlandse architectuurcritici zeggen dat de architectuur wel internationaal furore kan maken, maar dat er weinig reden is voor vreugde.

Een goed voorbeeld daarvan was onlangs op deze pagina te lezen in de column van Piet Vollaard waarin hij het topjaar 2000 (Koolhaas de Pritzkerprijs, MVRDV de hit van de Expo in Hannover) mopperend uitluidde: het stelt eigenlijk allemaal niks voor want als het wel wat had voorgesteld dan zouden veel meer Nederlandse architecten in het buitenland bouwen, in plaats van andersom, dat er zo veel buitenlanders in Nederland bouwen.

Nogal wiedes, zou ik denken, er is immers aanmerkelijk meer buitenland dan Nederland, je hoeft geen statisticus te zijn om daarin een logica te ontdekken. Maar voor Piet, die de import en export van architectuur in balans wenst te zien, is dit een reden om lekker te somberen.

Het is typerend voor het onvermogen, niet alleen van hem, maar van veel Nederlandse architectuurcritici om enthousiast te zijn. Een verklaring is misschien te vinden in de karakterstructuur van de gemiddelde architectuurcriticus, maar dat zo iemand een gebrek aan levensvreugde zou projecteren op wat er in de architectuur gebeurt, is een te goedkope uitleg.

Misschien heeft het meer te maken met wat de kritische reflex genoemd zou kunnen worden, het automatisme om bij alles hoe dan ook kanttekeningen te willen maken. Veel architectuurcritici leiden door deze reflex onmiskenbaar aan het onvermogen om opgetogen te zijn over successen. Alleen Schadefreude geeft ze plezier. Wat dat betreft zijn ze te zien als nazaten van de deugdzame Hollanders uit de Gouden Eeuw, die zich zoals de Amerikaanse historicus Simon Schama haarscherp heeft beschreven in zijn boek Overvloed en Onbehagen geen raad wisten met hun voorspoed.

Dit onvermogen blijkt bijvoorbeeld ook uit de schampere woorden van het duo Arjen Oosterman en Arthur Wortmann die in het laatste nummer van Archis de conclusie trekken dat het in ‘feestend architectonisch Nederland nog slechts draait om publiciteit, van onafhankelijke kritiek is geen sprake meer.’

In beide stukjes, van Vollaard en van Oosterman/Wortmann, worden de recent verschenen overzichten van de hedendaagse architectuur, Superdutch van Bart Lootsma en Kunstmatig Landschap, waarvan ik de samensteller ben, opgevoerd als illustratie van de verrotte staat waarin de Nederlandse architectonische cultuur zich zou bevinden. Het komt er op neer dat Bart en ik met ‘gejubel’ verhullen hoe erg het werkelijk is gesteld met de Nederlandse architectuur. Alsof wij het orkest van de Titanic vormen dat doorspeelt terwijl het schip ten onder gaat.

Ik kan niet voor mijn collega spreken, maar ik vind het niet erg om als Kop van Jut te fungeren indien Oosterman en Wortmann werkelijk menen dat daarmee de voor hen heilige onafhankelijke architectuurkritiek wordt gediend. Ik kan zelfs de ruimhartigheid opbrengen om te snappen waar hun klaarblijkelijke ergernis vandaan komt. Voor iedere architectuurcriticus die de mening heeft dat kritisch zijn betekent dat je op alles een pessimistisch commentaar moet hebben, zal het waarschijnlijk onverteerbaar zijn om geconfronteerd te worden met enthousiasme. En is het vast en zeker onbegrijpelijk dat voor enthousiasme meer onderscheidend vermogen nodig is dan voor het stelselmatig misprijzen dat zij voor onafhankelijke kritiek houden.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels