nieuws

Verplichte noodverlichting voldoet maar in kwart van gebouwen aan eisen

bouwbreed Premium

In de helft van alle gebouwen waar de wet noodverlichting voorschrijft, ontbreekt die. En daar waar de verlichting ooit is geïnstalleerd, functioneert de helft niet meer naar behoren. Op die manier beschikt slechts een kwart van de gebouwen waarvoor de wet noodverlichting voorschrijft over een werkend systeem.

De overheid doet er goed aan brandweer en arbeidsinspectie op de naleving te laten toezien, vindt productgroepleider H. Broers van elektrotechnische groothandel Brinkman & Germeraad in Dieren. Volgens hem hoort ook de installateur zijn klant op de regels rond de noodverlichting te wijzen.

Het blijft modderen met de noodverlichting. Daar veranderden tot nog toe ook de inspanningen van bijvoorbeeld de Nederlandse Vereniging van Fabrikanten van Noodverlichting (NVFN) weinig aan. Het Bouwbesluit en diverse Arbo-besluiten geven echter duidelijk aan in welke gebouwen noodverlichting en vluchtwegaanduiding moeten worden aangebracht. Deze eisen gelden niet alleen voor nieuwbouw, maar via een overgangsregeling met terugwerkende kracht ook voor bestaande situaties.

Het Bouwbesluit en de Arbo-regelingen komen voort uit Europese richtlijnen. De Euronorm EN1838 geeft eenduidig aan waar, hoeveel en welke noodverlichting moet worden toegepast. Het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) maakte daarvan een Nederlandstalige versie. NEN1010 geeft hierop nog enkele aanvullingen. Eisen die gesteld worden aan vluchtwegaanduiding staan vermeld in de NEN6088. Binnenkort verschijnt een herziene uitgave.

Praktijk

In de praktijk moet elk gebouw, behalve de woning, volgens de wet voorzien zijn van noodverlichting en vluchtwegaanduiding. Dat komt neer op voorzieningen bij alle vluchtwegen, tot en met een lichtpunt buiten bij de laatste (nood)uitgang. Ook direct bij niveauverschillen en bij trappen, zodat elke traptrede direct wordt aangelicht; bij richtingveranderingen en kruisingen. Bij smalle gangen moet de horizontale verlichtingssterkte minimaal 1 lux op de as, en 0,5 lux op de middenband bedragen, op de vloer gemeten.

Ruimten waar veel personen gelijktijdig aanwezig kunnen zijn, moeten over een anti-paniek noodverlichting en vluchtwegaanduiding beschikken. De horizontale verlichtingssterkte op de vloer moet minimaal 0,5 lux bedragen, met uitzondering van een randzone van 0,5 meter.

Op werkplekken met een verhoogd risico moet noodverlichting zijn aangebracht op het referentievlak (de visuele taak). De noodverlichting mag niet minder dan 10 procent van de normaal vereiste sterkte zijn, met een minimum van 15 lux.

Bij de EHBO-posten moet ook noodverlichting zijn geplaatst; bij elke schakel- en verdeelinrichting; in de liftmachinekamer; in ruimten voor projectie en regie en bij alle brandbestrijdingsuitrustingen en brandmelders. De eisen wat betreft verlichtingssterkte zijn hiervoor evenwel verschillend.

Herkenningsafstand

De vluchtwegen moeten door middel van veiligheidssignalering duidelijk worden aangegeven met verlichte pictogrammen volgens NEN6088. De verlichting moet altijd branden: via het net of via noodstroom. Fabrikanten zijn verantwoordelijk voor de juiste uitvoering. De noodverlichting voor de aanduidingen moet minimaal één uur werken bij afwezigheid van de netspanning. De herkenningsafstand en de grootte van de aanduiding bepalen de leesbaarheid van de pictogrammen. Voor aangelichte symbolen geld een factor 100 maal de hoogte van de aanduiding; voor inwendig verlichte signaleringen een factor 200.

Voor de aanleg van centraal gevoede noodverlichtingssystemen (noodvoeding vanuit een centraal opgestelde noodenergievoorziening) gelden speciale eisen. Advies van een specialist is absoluut noodzakelijk.

De noodverlichting moet altijd branden: via het net of via noodstroom.

Reageer op dit artikel