nieuws

Pi de Bruijn laveert tussen bewoners Enschede en politiek

bouwbreed Premium

Slachtoffers van de ramp Enschede klampen zich aan stedenbouwkundige prof.ir. Pi de Bruijn vast. Hij is de bouwmeester van hun verwoeste wijk. Iemand die hun verdrietige verleden en hoopvolle toekomst een plaats geeft in een nieuwe woonwijk. Alle superlatieven zijn bij deze opdracht van toepassing. Maar twee elementen springen er in het bijzonder uit. De wereld kijkt over zijn schouder mee en het is een krachtenspel waarin de stedenbouwkundige laveert tussen de gevestigde orde van politiek en woningbouwcorporaties enerzijds en de wensen van de gedupeerde bewoners anderzijds. Cobouw-verslaggever Elsemiek de Jong sprak met hem.

Op die warme zaterdagmiddag van 13 mei 2000 zat Pi de Bruijn bij familie op tien kilometer afstand van het rampgebied. “Zelf woon ik niet meer in Twente, maar ik heb er nog veel familie en vrienden zitten. We hoorden geen knal, maar zagen in de verte een enorme rookontwikkeling. Het drong meteen tot ons door dat het goed mis was, hoewel we geen benul hadden van de werkelijke omvang van de ramp. Eerst zie je de menselijke ellende. Pas ’s avonds besefte ik dat een hele woonwijk was verwoest.”

In juli belde de gemeente Enschede Pi de Bruijn op met de mededeling dat hij op de keuzelijst stond van stedenbouwkundigen voor de wederopbouw. “Of hij daar voor voelde?”.

“Zonder enige twijfel”, antwoordde De Bruijn. “Pas toen begon ik professioneel wakker te liggen. En al helemaal op het moment dat de gemeenteraad van Enschede zijn keuze op mij had laten vallen. Dit was een geprofileerde opdracht. Ik begreep meteen de moeilijkheidsgraad en het soort instelling dat hier was vereist. Van mij zou een brede participatie worden verwacht, waarin ik als stedenbouwer serieus naar de slachtoffers moet luisteren. Dat is een uitdaging, maar ook een razend lastige. Ik bouw niet ‘een’ wijk, ik bouw ‘hun’ wijk. Dan zit je niet achter een tekenschot met de vraag wat je nu weer eens zal bedenken.”

Egotrippers

Generaliserend zijn architecten dikwijls synoniem met kunstenaars, egotrippers. Participatie wordt ervaren als een beperking voor hun creativiteit.

Maar zo kent Pi de Bruijn zichzelf niet. “Ik ken ook stedenbouwers die behoefte hebben aan een programma, zoeken naar de dialoog. Het is vaak juist wel aardig om concreter en binnen bepaalde grenzen te werken. Bij de verbouwing van het Tweede Kamergebouw had ik te maken met 150 Kamerleden. Als ik met een blank vel zou beginnen, zou de rampwijk er heel anders uitzien. Nu liggen er tal van ideeën van de slachtoffers, zeer uiteenlopend. Gelukkig maar, als iedereen hetzelfde wilde zou de wijk er saai uitzien en de opdracht onwrikbaar worden.”

De keuze van de gemeente op deze flexibele Twentenaar als bouwmeester van het rampgebied heeft hier naar zijn idee duidelijk mee te maken.

Ondergedompeld

De Bruijn werkt bij de Architecten Cie. in Amsterdam, maar sinds begin dit jaar staat zijn bed ook dikwijls in verscheidene hotels in Enschede. In atelierverband werkt de stedenbouwkundige nauw samen met de gemeentelijke afdelingen van ruimtelijke ordening en openbare werken.

“De eerste maanden van dit jaar zijn we zeer intensief in Enschede bezig geweest. We hielden bijna non-stop bijeenkomsten met bewoners, om hun wensen te kunnen inventariseren”, verklaart De Bruijn. “Die bijeenkomsten verliepen soms rustig, dan weer agressief. Het verdriet en het leed waren tastbaar. Mensen die huilend wegliepen. In die perioden voelde ik me wel eens ondergedompeld. Ik werkte niet alleen in Enschede, ik was Enschede. De hotelkamers en restaurants gaven mij de gelegenheid de stad van een andere kant te ervaren. Gelukkig doe ik daarnaast ook ander werk, volstrekt los van Enschede. Je moet over kunnen gaan tot de orde van de dag om zelf geen slachtoffer te worden.”

Bij zijn aantreden als stedenbouwkundige van de rampwijk stond voor De Bruijn één ding als een paal boven water: “Ophouden met slopen, heb ik geroepen. Sindsdien is er niets meer gesloopt.”

In het gebied zelf wijst hij de panden aan. Het gaat om zowel koop- als huurwoningen en oude textielpanden. Zijn pleidooi voor restauratie en hergebruik van de panden moet een cultuuromslag voor de gemeente en woningcorporaties zijn geweest.

“Ze kennen een sloophistorie, met de beste bedoelingen. Slopen betekent afrekenen met het verleden. Dat is zo met de eerste ramp gebeurd; de teloorgang van de textielindustrie. Dezelfde soort gelatenheid zie je ook na de tweede ramp; de vuurwerkramp. Alle sporen uitwissen. Maar niemand begrijpt nog meer iets van een stad zonder verleden.”

De woningcorporatie laat de huurwoningen aan de rand van het rampgebied nu staan, hoewel de corporatie al voor de vuurwerkramp tot sloop had besloten. Hetzelfde geldt voor de beeldbepalende achttien huurwoningen aan de Lasondersingel.

Verrassend

De Bruijn noemt het prachtige huizen die qua architectuur de sfeer van de Amsterdamse School uitademen.

“De huizen zijn technisch beschadigd, maar hebben nog grote cultuur/historische waarde. Voor mij komen er verrassende dingen naar voren uit deze opdracht. De vuurwerkramp werkt als een hefboom voor een versterkt particulier opdrachtgeverschap. Waanzinnig interessant. De rol van eigenaar/bewoners wordt veel prominenter, in tegenstelling tot de rol van de projectontwikkelaar die daalt. Maar je ziet ook angst bij de bewoners. Mag dit allemaal wel van de gemeente?

“Het zijn grote krachtenvelden. Het college van B en W en de gemeenteraad zijn immers gewend vanuit een heel ander perspectief te denken. We moeten ervoor knokken, maar hebben de wind in de rug. In Den Haag ligt politieke instemming om het particulier opdrachtgeverschap uit te bouwen, dus het moet kunnen.”

Betrokkenheid

Het samen met de slachtoffers opbouwen van de rampwijk geeft grote onderlinge betrokkenheid tussen bewoners, die De Bruijn als solist achter zijn tekentafel nooit zou hebben bereikt.

“Als mensen in de oude situatie een smalle kavel hadden en ze willen er een vierkante voor terug, dan gaan ze met de buren praten. Dat zou bijvoorbeeld op Vinex-locaties ondenkbaar zijn. Normaal gesproken conformeren bewoners zich aan de wens van projectontwikkelaars. Door dit samenspel werken de gedupeerden zichzelf naar een hoger plan.”

Wegwijzers

In de aarzelende lentezon lopen we naar het rampgebied. Bij de ingang staat een veiligheidsbeambte. We mogen niet verder lopen dan tot de container die op drie meter afstand van het hek staat. De bijna onaangetaste bomen op de verkoolde vlakte bewijzen dat de wereld gewoon door draait. Ze lopen met frisgroen blad uit en fungeren als wegwijzers in het vrijwel lege rampgebied. Her en der wacht het puin – gerangschikt naar materiaalsoort – op de vrachtwagens die elke vijf minuten het terrein oprijden om het af te voeren.

De getroffen wijk schudt de gevolgen van de dertiende mei langzaam van zich af.

‘Ik bouw niet ‘een’ wijk, maar ‘hun’ wijk’

Reageer op dit artikel