nieuws

Leve de opdrachtgever

bouwbreed Premium

Op een kwade dag moet iemand er mee zijn begonnen. Het zal met de beste bedoelingen zijn geweest, tijdens een brainstormsessie over bewonersparticipatie en de ‘markt’ of zoiets. Op enig moment heeft iemand daar het woord woonconsument laten vallen, waarschijnlijk omdat hij Carel Weebers Wilde Wonen artikel diagonaal had gelezen. Wat de diepere betekenis was maakte niet uit, het klonk lekker. Het was net alsof met dit woord de hele problematiek rond zeggenschap over de eigen woonsituatie, over particulier opdrachtgeverschap en noem de hele trits maar op, werd samengevat.

Briljant! Iedereen begreep direct wat werd bedoeld. Alsof je alleen maar door het toverwoord woonconsument uit te spreken, de bewoner, de koper en de opdrachtgever weer serieus nam en tegelijkertijd in één woord had weten samen te vatten. Geen wonder dat de Woonconsument een razendsnelle opmars langs de vergadertafels, het symposiumcircuit, de rapportenbranche en het columnisme mocht meemaken. En dus heeft iedereen het nu over de woonconsument, van ambtenaar tot architect, van ontwikkelaar tot adviseur, van tentoonstellingsmaker tot stukjesschrijver. Het zou me niks verbazen als ik me er zelf ook aan schuldig heb gemaakt.

Sinds kort ben ik me aan dat automatisme waarmee bewoners tot consument worden gereduceerd gaan ergeren. Er klopt iets niet aan. Er is zelfs iets goed mis mee. Het is niet zo maar irritatie over het onnadenkend heilig verklaren van marketing prietpraat, hoewel dat wel degelijk meespeelt. Er is meer aan de hand.

In de interactie tussen producent en consument is de positie van de consument voor een groot deel passief en ondergeschikt aan de positie van de producent. De consument is geen volwaardig participant in het productieproces. Hij is louter afnemer en heeft amper macht over het aanbod. De consument wordt voornamelijk serieus genomen waar het zijn portemonnee betreft. Wie ooit een cursusje marketing heeft gevolgd, wie nog weet waarom de ‘consumptiemaatschappij’ bepaald geen nastrevenswaardig doel was, of wie gewoon een beetje verder kijkt dan zijn neus lang is, weet dat de consument in laatste instantie afhankelijk is van wat de producent wenst te leveren. Hoe harder de producent roept dat hij de belangen van zijn afnemers hoog in het vaandel voert en dat ‘de klant koning is’, hoe beter hij probeert de markt te peilen, hoe argwanender wij, consumenten, zouden moeten zijn. Er bestaat een gouden wet: ‘Hoe nuttelozer het product, hoe hoger de budgetten die noodzakelijk zijn om de ‘behoefte’ te peilen en de boel te verkopen’. Zodra de ‘markt’ gaat zeggen dat er zoveel geld in het consumentenonderzoek of consumentenvoorlichting wordt gestoken, wordt het tijd om op te gaan letten. Er is grote kans dat er knollen voor citroenen verkocht gaan worden.

Een interessante case study van een dergelijk proces is het tragische lot van de woonbootbewoner. Ooit waren dit de enige echte vrijbuiters van de woningmarkt. Al welstands- en regelingvrij voordat dit als verkoopargument een rol speelde. Wilde Woners toen Weeber nog met hart en ziel staatsarchitectuur produceerde. Ontdekt door de markt heet een woonboot opeens een drijvende villa, worden ze in een bestemmingsplannen opgenomen en is de vrije woonbootbewoner gereduceerd tot een ‘waterwoon-consument’ die als enige vrijheid de keuze uit drie standaardmodellen overhoud. Tel uit je winst.

Dat is allemaal misschien geen ramp waar het om betrekkelijk nutteloze consumptiegoederen gaat, om leuke speeltjes en hebbedingetjes. Maar het wordt gevaarlijk als primaire levensbehoeften in het geding zijn. Wonen is een primaire levensbehoefte, maar de ‘consument van het product wonen’ is zo’n beetje de grootste schlemiel die er bestaat. Ooit een brood bij de bakker betaald met alleen een vaag aquarelletje en een paar reclameslogans, om vervolgens een dag op de levering te moeten wachten, om te moeten merken dat toch nog allerlei kleinigheden mee mis zijn? Ik denk het niet, maar als het om woningen gaat laten we ons dit soort idiotie aanleunen.

De koper/bewoner zal schlemiel blijven als hij zich als consument in de markt gaat opstellen. De positie van de architect tussen producent en gebruiker is in deze kwestie van belang. Nog niet zo gek lang geleden was de term ‘anonieme opdrachtgever’ nog in zwang onder architecten. En hoewel de architect toen in de anonimiteit van de gebruiker/bewoner – tot voor kort voor 80 procent huurder – geen reden zag de macht dan maar volledig aan deze gebruiker over te dragen, benaderde hij zijn ‘klanten’ tenminste met het respect dat ze toekomt: als opdrachtgever in plaats van als consument. Uiteindelijk was de aandacht primair gericht op de gebruiker/bewoner en niet op de markt, de overheid, het marketingbureau of de lifestyleplanner. De architect was een onafhankelijke partij tussen opdrachtgever en producent/verkoper. Het is een kwestie van kiezen ten aanzien van de positie die de architect inneemt tussen verkoper/ontwikkelaar en bewoner. De architect die zijn opdrachtgevers consumenten noemt maakt duidelijk waar hij staat: naast de verkoper en niet naast de bewoner. Als de producent – al of niet in een duet met de architect – zegt de consument serieus te nemen, zegt hij nog niet dat hij de consument macht en werkelijke vrijheid zal geven. Het is niet uitgesloten, maar het ligt niet voor de hand. Wat dat betreft is de kreet ‘particulier opdrachtgeverschap’ mij ook veel liever dan het toverwoord ‘woonconsument’. Het suggereert tenminste een zekere mate van macht en beslissingsbevoegdheid van de bewoner.

Je hoeft geen Marx te heten om te begrijpen waarom de producent liever over consumenten dan over opdrachtgevers praat. Maar daar hoeven wij met z’n allen toch niet klakkeloos aan mee te doen?

Reageer op dit artikel