nieuws

Geschillen over grond horen bij civiele rechter

bouwbreed Premium

De huidige Onteigeningswet, die dateert uit 1851, wordt als het aan de minister van Justitie ligt, binnen afzienbare tijd eenvoudiger, inzichtelijker en sneller. En in geval van conflicten tussen particulieren en overheid moet niet meer de civiele rechter worden ingeschakeld, maar de bestuursrechter. Dit laatste stuit op grote weerstand, zoals van Tweede-Kamerlid P. van Wijmen. Het debat over financiële schadeloosstelling hoort uitsluitend bij de burgerlijke rechter.

Bij brief van 9 oktober 2000 (24 036, nr. 174) bood de minister van Justitie aan de Tweede Kamer een onderzoeksrapport aan van een ambtelijke werkgroep (werkgroep Evaluatie onteigeningswet) met betrekking tot de Onteigeningswet. Het rapport is een gevolg van de MDW- (Marktwerking, Deregulering, Wetgevingskwaliteit) operatie. In de Nota Grondbeleid die inmiddels ook het licht zag, worden enkele belangrijke conclusies uit het rapport overgenomen. Heel kort samengevat komt een en ander neer op het navolgende: de onteigeningstitel en de beslissing over de schadeloosstelling worden samen neergelegd in een besluit, waartegen administratief beroep wordt opengesteld op de minister van VROM; de rechtspraak inzake de schadeloosstelling wordt overgeheveld van de burgerlijke rechter naar de bestuursrechter. Deze voorstellen nu zijn helaas even vèrstrekkend als ondoordacht, hetgeen in het navolgende duidelijk moge worden.

Publiek belang

Vooropgesteld dient te worden, dat de huidige Onteigeningswet en de daarin neergelegde procedures zeker voor verbetering en modernisering vatbaar zijn. Niet alleen bestaan er allerlei onteigeningstitels naast elkaar (soms zelf buiten de Onteigeningswet zelf, zoals bijvoorbeeld in de Landinrichtingswet), maar ook is de burgerlijke onteigeningsrechter als gevolg van de manier waarop de administratieve onteigeningsprocedure is ingericht, genoodzaakt om desgevraagd ook te toetsen of de onteigening wel in het publiek belang geschiedt en of zij noodzakelijk en urgent is. Dit is een gevolg van rechtspraak op Europees niveau: het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft uitgemaakt, dat ons Kroonberoep oude stijl (en zelfs daarvan is bij onteigening nauwelijks sprake) niet als onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak kan worden aangemerkt en die is absoluut vereist zodra het gaat (o.a.) om zaken die eigendom betreffen.

Wijziging van de Onteigeningswet is dus een alleszins nuttige zaak; maar dan zeker niet in de richting zoals het kabinet voorstelt. Hoe dan wel? Om te beginnen kan vereenvoudigd en verduidelijkt worden op grond van welke titel onteigend mag worden. Zo kunnen allerlei titels in en buiten de wet worden samengebracht tot een of tot enkele hoofdgroepen, bijvoorbeeld voor infrastructurele werken, voor “public utilities” en voor volkshuisvestings- en ruimtelijke ontwikkelingsdoeleinden. De eerste categorieën maken bijvoorbeeld het Rijk of provincies of waterschappen bevoegd, de tweede (volkshuisvesting e.d.) legt de onteigeningsbevoegdheid op gemeentelijk niveau. Een aparte vraag is die of ook niet-overheidslichamen tot onteigening bevoegd kunnen worden (Ned. Spoorwegen, Natuurmonumenten e.d.).

Voorrangsbepaling

De onteigeningstitel moet hoe dan ook getoetst kunnen worden door een rechter. De minister van VROM in administratief beroep wordt vanzelfsprekend niet als rechter aangemerkt. Een beroep in eerste en enige aanleg op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is hier de meest voor de hand liggende keuze. Deze rechter houdt zich momenteel ook reeds bezig met het beroep inzake bestemmingsplannen. Via een “voorrangsbepaling” in de wet (vergelijk de huidige artt. 24, eerste lid en 86, eerste lid Ow) kan worden bereikt dat een dergelijke beroepsprocedure geen vertraging oplevert in vergelijking met de huidige procedure bij de Kroon, terwijl ook procedures met elkaar parallel geschakeld kunnen worden (bijv. de bestemmingsplan- en de administratieve onteigeningsprocedures).

Doordat een rechterlijke toetsing van het onteigeningsbesluit mogelijk is, vervalt de toetsing door de burgerlijke rechter. De onteigening zelf kan dan snel worden geëffectueerd (dagvaarding + aanbod, aanvaarding of verwerping, in welk geval onteigeningsvonnis dat na plaatsopneming door de deskundigen wordt ingeschreven in de kadastrale registers). Het debat over de schadeloosstelling kan dan geen enkele vertraging meer veroorzaken.

Hoge Raad

Dit debat dient (als geen minnelijke overeenstemming over de prijs wordt bereikt) natuurlijk altijd gevoerd te worden ten overstaan van de burgerlijke rechter (rechtbank, eventueel hoger beroep bij het hof, cassatie bij de Hoge Raad). Niet alleen is deze rechter absoluut als de meest geschikte te beschouwen voor het beoordelen van de schade, maar ook doen zich soms allerlei andere burgerrechtelijke rechtsvragen voor (huur, pacht, mede-eigendom, zekerheidsrechten, economische eigenaarsposities e.d.) die ook alleen naar door de burgerlijke rechter kunnen worden beslist. Ten slotte zorgt de Hoge Raad voor de rechtseenheid en de uitleg van de rechtsvragen. Dit deed hij in onteigeningszaken al bijna anderhalve eeuw en met groot succes. Hoewel er maar enkele schade-artikelen in de Onteigeningswet voorkwamen, heeft de Hoge Raad in die periode een prachtig geheel van onteigeningsjurisprudentie ontwikkeld en die ten dele in de wet is opgenomen en voor het overige nog steeds voortgaat.

De onteigeningstitel moet hoe dan ook getoetst worden door een rechter

Reageer op dit artikel