nieuws

‘Aannemer mede hoeder van Nederlands erfgoed’

bouwbreed Premium

Nu de tentoonstelling ‘Honderd jaar wonen’ haar eind nadert, beschouwt architect Friso Broeksma op uitnodiging van deze krant het werk van de initiatiefnemers. Goed werk, meent Broeksma, die veel ervaring heeft in interieurontwerp.

Op een doordeweekse namiddag is het dringen voor de badkamer van het jaar 2001 en de woning in de stijl van Goed Wonen, begin jaren zestig. Broeksma, geboren net na de Tweede Wereldoorlog, vindt dat de initiatiefnemers, binnenhuisarchitecten Marion Bergmann en Frank Pluym, goed werk hebben geleverd. “Ze tonen met hun keuzes van spullen dat ze de moderne klassieken kennen.”

“De vooruitgang in oppervlak gaat samen met een achteruitgang in hoogtes”, zegt Broeksma over de ontwikkeling in het wonen. Daarom is het jammer dat de expositie geen plafonds vertoont. Begin 20ste eeuw kon een kamer soms nog zo’n vier meter hoog zijn, nu mag je je gelukkig prijzen met 2,90 meter, terwijl de standaard op 2,40 meter ligt.

Plafondhoogte

“Het minimum van 2,40 meter is maximum geworden. Dat geldt voor de gesubsidieerde bouw, waar geen dubbeltje beschikbaar is voor een centimeter extra hoogte, maar ook voor de particuliere bouw. Daar is het altijd lucratiever om binnen de maximale bouwhoogte een extra appartement te zetten dan om alle verdiepingen meer hoogte te gunnen.”

Broeksma wijst erop, dat aannemers mede de hoeders van het Nederlands erfgoed zijn. Er is steeds meer belangstelling voor renovatie. “Maar de opgaande lijn van datgene wat we willen behouden, kruist met de neergaande lijn van de mensen die in staat zijn dat mooi te renoveren”, zegt hij. In de jaren zeventig, toen hij via de Dienst Volkshuisvesting van Amsterdam projectleider was van de renovatie van Betondorp, leerde hij de vaklui in de aannemerij kennen en waarderen.

Zichzelf noemt hij “een verwende architect die enkele mooie klussen heeft mogen doen. Zo van: als goede vrienden beginnen en er als nog betere vrienden uitkomen.” Zijn mooiste werken somt hij in één adem op: interieur van het huis aan de Keizersgracht in Amsterdam van zijn partner de vormgever Benno Premsela; het interieur van het deels 17de en deels 18de eeuwse château van Claes en Coosje Oldenburg op 7 hectare grond bij Tours , in Frankrijk; de bouw van een snackbar in het Zeeuws-Vlaamse Oostburg, onder supervisie van Gijs Bakker. Hij werkte bij Frank Gehry in Los Angeles.

“In Betondorp was de Brink het moeilijkst, de rest viel wel mee”, zegt hij luchtig over zijn Amsterdamse volkshuisvestingstijd, wanneer hij staat voor de tentoonstellingspanelen die daarover gaan. “Het begon in 1976 met renovatie van de bakstenen woningen. Toen vroeg men zich af: wat doen we met de betonnen woningen? Die renovatie, inclusief inspraak, heeft zes jaar geduurd. We hebben daar voor het eerst in Nederland een bepaalde gevelisolatie toegepast, die bijvoorbeeld al in Duitsland gemeengoed was.”

“Dan zie je het verschil tussen aannemers: degene die het werk uiteindelijk uitvoerde was zo slim de huizen in een tent te zetten, zodat hij onafhankelijk van het weer kon doorwerken. Fors investeren maakt de uitvoering gemakkelijk. Dat vind ik voor de bouw een grote stap. Het is toch een langzaam evoluerende, traditionele bedrijfstak.” We staan stil bij een manshoge foto van een metselaar in 1950, op de steiger in het uitleggebied Amsterdam-West. De man heeft acht maal drie bakstenen op zijn schouder gestapeld. Broeksma: “Zo ging dat toen nog”.

Betondorp is een voorbeeld van een 20-ste eeuws monument, vindt Broeksma. Hij schaart daaronder de architectuur van De Bazel, het plan-Berlage, maar ook de stadsvernieuwing die onder Jan Schaefer in allerlei Nederlandse steden naam en vleugels kreeg. Al die fasen zijn herkenbaar in de interieurs op de expositie. Er zijn lessen uit te trekken, denkt de architect.

Zuidas

“Berlage zette zijn plan voor Amsterdam-Zuid op vanuit de gedachte dat er twee treinstations zouden zijn: het Amstelstation en het Zuiderstation. Het Amstel kwam er tijdens zijn leven, het Zuider zal wellicht met de plannen voor de Zuidas in de gedachte omvang klaar zijn, een eeuw later dan de schetsen die Berlage maakte. Zo’n tegenslag, daar moet een plan tegen kunnen. De stad is daar nu heel anders gegroeid dan hij dacht. Maar wat gaat er gebeuren? Als daar het verkeer ondergronds gaat, in het dok waarover iedereen het nu heeft, is dat dan een garantie dat de stad zich echt ontwikkelt, met plezier op straat en leuke winkels en cafés? Je ziet aan een gebouw als het nieuwe hoofdkantoor van ABN-Amro bij de Zuidas: alleen al door de security voegt dat zich heel anders in de stad dan het oude ABN-kantoor in de Vijzelstraat van De Bazel. Dat was een groot gebouw en het maakte de stedelijke structuur niet kapot. In de Zuidas moet ik dat soort gebouwen nog zien.”

Cirkelgang

Leefbare levendige straten, het zijn eisen die de overheid stelt aan de voet van gebouwen: Broeksma wijst naar Manhattan, waar kantoren soms geen inpandige bedrijfsrestaurants mogen hebben. Amerika kan ons ook wat leren over ontwikkeling van wijken en openbare ruimte: “Nederlandse ontwikkelaars verkopen papieren huizen. In de VS moet je je huizen, straten en verlichting klaar hebben voordat er een koper komt kijken.”

In de cultuur van het wonen zit een cirkelgang, denkt Broeksma, nu vooral actief als freelance-manager van bouwprocessen, onder andere in het Amsterdamse stadsdeel Westerpark. Hij heeft ooit een rede gehouden, waarin hij de woonwensen van de allerrijksten schetste, omdat zij zich ongegeneerd kunnen uitleven en je zo de echt menselijke behoeften kunt zien. Ironisch voegde hij eraan toe dat die woonwensen dicht bij die van de Australische Aboriginals liggen: een woonoppervlak tot aan de horizon en een plafondhoogte tot aan de hemel. “Alles daartussenin blijft behelpen”, citeerde hij de – onlangs overleden – bioloog Dick Hillenius. Want mensen willen naast ‘locatie, locatie, locatie’ ook ‘ruimte, ruimte, ruimte’.

De afgelopen 100 jaar zijn de woningen bijna twee keer zo groot geworden. Toch is ook deze cirkel rond: de eenhoog-achter-woningen waar hun overgrootouders op aasden, hebben plaatsgemaakt voor eenkamer-koopflats van de pas-afgestudeerden. Broeksma: “In verbouwde pakhuizen zitten veel eenkamerpanden. Bijna dezelfde kelderwoningen van toen zijn nu voor groot geld te koop”.

‘Kelderwoning van toen nu voor groot geld te koop’

Reageer op dit artikel