nieuws

Verjaringstermijn asbestschade is op te rekken

bouwbreed

Werknemers worden vaak blootgesteld aan risico’s. Zeker in de bouw. Werkgevers kunnen, binnen bepaalde grenzen, voor de daaruit voortvloeiende schade worden aangesproken. De wet geeft (verjarings-) termijnen waarbinnen een vordering dient te worden ingesteld. Als de procedure te laat wordt gestart kan een vordering dus verjaren.

Voor een vordering tot schadevergoeding geldt een termijn van vijf jaren na het bekend worden met de schade en de aansprakelijke persoon, met een maximum van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Bij milieuschade of schade als gevolg van schadelijke stoffen (zoals asbest) is dat dertig jaar. Deze verjaringstermijnen brengen een bijzondere groep arbeidsslachtoffers in de problemen. Dat zijn de slachtoffers met een “verborgen schade”. In het bijzonder slachtoffers van asbest. De laatste jaren groeit de groep (veelal ex-) werknemers met mesothelioom (longkanker) gestaag. Deze ziekte wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door blootstelling aan asbestdeeltjes en wordt veelal pas twintig tot veertig jaar na blootstelling gediagnostiseerd. Wanneer de ziekte (en dus de schade) zich pas na vele jaren manifesteert kan de verjaringstermijn van dertig jaar voor het instellen van een vordering dus reeds verstreken zijn. Dat dit onder omstandigheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan zijn, oordeelde de Hoge Raad in twee recente arresten van 28 april 2000.

Onredelijk

In het ene arrest betrof het een werknemer die van 1959 tot en met 1963 in dienst van Koninklijke De Schelde was geweest. Pas in de loop van 1996 werd bij hem mesothelioom geconstateerd. De Hoge Raad overwoog dat voor het moment waarop een verjaringstermijn gaat lopen, moet worden gekeken naar het moment van beëindiging van de blootstelling aan asbest. Hier derhalve 1963. Toen in 1996 de schade zich manifesteerde (dat wil zeggen: de ziekteverschijnselen zich openbaarden), was de vordering tot schadevergoeding dus al verjaard. Dat betekende dat er voor het verstrijken van de verjaringstermijn nog geen (bekende) schade was en op het moment van het ontdekken van de schade de verjaringstermijn inmiddels was verstreken. De (nabestaanden van de) werknemer viel daarmee dus tussen wal en schip. Dat kan onder omstandigheden onredelijk zijn. De Hoge Raad oordeelde dat steeds naar alle omstandigheden van het concrete geval moet worden gekeken voor de bepaling of vasthouden aan de regel van de verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Hoge Raad gaf in zeer algemene termen “gezichtspunten” die daarbij moeten worden betrokken. Deze hebben betrekking op aard van de schade (materieel of immaterieel), mate van verwijtbaarheid van de werkgever, of er verzekeringsdekking is, in hoeverre de aangesprokene lopende de termijn rekening hield/had dienen te houden met de mogelijkheid van aansprakelijkheid etc. De Hoge Raad heeft deze zaak voor verdere behandeling naar het Hof verwezen om te beoordelen of aan de hand van deze gezichtspunten het beroep op verjaring wel stand kan houden. In de andere zaak ging het om een werknemer die bij Eternit met asbest had gewerkt. In deze zaak ging het erom dat de erfgenamen van de werknemer wel binnen de termijn van dertig jaar hadden kunnen dagvaarden, maar dat niet hadden gedaan. In die omstandigheden vond de Hoge Raad onvoldoende aanleiding om de dertig jaarstermijn op te rekken; redelijkerwijs had immers tijdig een vordering kunnen worden ingesteld.

Rechtsonzekerheid

De Hoge Raad heeft met deze arresten voor uitzonderlijke gevallen mogelijkheden gecreëerd de verjaringstermijnen open te breken. Dat is een goede ontwikkeling, die past in de huidige ontwikkeling waarbij aan asbestslachtoffers meer mogelijkheden worden geboden schade vergoed te krijgen (denkt u aan de onlangs inwerkinggetreden Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers en het bij de Tweede Kamer liggende wetsvoorstel waarbij voor o.a. verborgen schade slechts nog de eerdergenoemde vijfjarige verjaringstermijn geldt, zonder maximalisering). Anderzijds zijn de overwegingen van de Hoge Raad dusdanig algemeen dat een tijdperk van rechtsonzekerheid aanbreekt voor werkgevers en hun verzekeraars. De komende decennia kan het immers gaan om duizenden nieuwe gevallen van mesothelioom, wier vordering staat of valt met het al dan niet kunnen openbreken van de termijn. Ook voor de slachtoffers is het derhalve vooralsnog een onzekere situatie. Ik ben van mening dat het voor alle betrokkenen van belang is dat zo spoedig mogelijk meer duidelijkheid over de aansprakelijkheidsvraag komt te bestaan. Dat spreekt temeer omdat de uitspraken van de Hoge Raad “naar hun aard verborgen gebleven schade” betreffen. Denkbaar is dan ook dat bij andersoortige schades zoals beroepsziekten die zich pas na vele jaren openbaren, een dergelijke openbreking van de verjaringstermijn mogelijk wordt. Voortdurende onzekerheid voor alle betrokkenen dus! Wanneer het Gerechtshof uitspraak heeft gedaan bericht ik u in elk geval nader.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels