nieuws

Top 20 stopt 1,6 miljard in goodwill

bouwbreed

De twintig grootste Nederlandse bouwbedrijven (inclusief de baggeraars Boskalis en Van Oord Groep, vastgoedexploitant Nagron en ingenieursbureau Arcadis) hebben de afgelopen twee jaar ruim 1,6 miljard gulden betaald aan goodwill.

Dat constateert het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid (EIB) na bestudering van de jaarverslagen van deze bedrijven.

Een bedrag aan goodwill wordt betaald bij de overname van een bedrijf. Het is een waardering van de ‘overwaarde’ van een overnamekandidaat. In het bedrag worden diverse zaken tot uitdrukking gebracht, zoals winstpotentie, kwantiteit en kwaliteit van de orderportefeuille, toegang tot opdrachtgevers, goede naam en faam. EIB- onderzoeker drs. F.J. Jansen schat de omvang van de totale overnamebedragen die de twintig grootste ondernemingen over dezelfde periode hebben betaald op ten minste 2,6 miljard gulden. In veel gevallen konden de bedrijven de overnames voor een groot deel uit hun eigen liquide middelen betalen. De top 20 bezat de afgelopen twee jaar voor ruim 5,2 miljard gulden aan liquide middelen. Overnames kunnen ook worden betaald uit vermogen dat via aandelenemissies is verkregen, door rechtstreeks in aandelen te betalen, door bankkredieten of uit andere bronnen.

Marktwaarde

In de top 20 bevinden zich negen beursgenoteerde (bouw)bedrijven: Heijmans, Arcadis, NBM Amstelland, Boskalis, Volker Wessels Stevin, BAM Groep, Nagron, Ballast Nedam en HBG. Eind 1999 hadden zij volgens de EIB-onderzoeker een marktwaarde van in totaal 6,4 miljard gulden (hoe hoger de beurskoers, hoe hoger de marktwaarde). De intrinsieke waarde (werkelijke waarde, het verschil tussen balanstotaal en schulden) bedroeg circa 6,6 miljard gulden. Gemiddeld verhouden de marktwaarde en de intrinsieke waarde van de bouwfondsen zich dus bijna één tot één.

Nadeel

Bedrijven waarvan de marktwaarde kleiner is dan de intrinsieke waarde, zijn bij overname- activiteiten in het nadeel ten opzichte van bedrijven waarvoor het tegenovergestelde geldt, constateert EIB- onderzoeker Jansen. Bij een relatief lage marktwaarde kan een aandelenemissie voor de financiering van een overname te weinig geld opleveren. Deze bedrijven kunnen ook zelf een gemakkelijke prooi zijn voor een overnemer met een relatief hoge marktwaarde. “Beschermingsconstructies, waar beleggers meestal niet gelukkig mee zijn, moeten dit gevaar afwenden”, schrijft Janssen. Het proces dat de EIB-onderzoeker beschrijft, was dit jaar van toepassing op Boskalis en HBG. Bij de baggeraar is de marktwaarde groter dan de intrinsieke waarde; bij HBG is de marktwaarde juist kleiner dan de intrinsieke waarde.

Vijandig

De Rijswijkers probeerden zich begin maart met de uitgifte van bijna 35 miljoen beschermingspreferente aandelen te wapenen tegen een vijandige overname door Boskalis. In mei bereikten de twee ondernemingen echter toch een akkoord, dat in juli vanwege de problemen van HBG in Duitsland op het nippertje weer werd afgeblazen. Behalve Boskalis hadden ook Heijmans, Arcadis, NBM-Amstelland en in mindere mate Volker Wessels Stevin eind vorig jaar een grotere markt- dan intrinsieke waarde. Ballast Nedam en Nagron hadden evenals HBG een vrij lage marktwaarde in verhouding tot de werkelijke waarde. Bij de bouwer BAM hielden de twee waarden elkaar nagenoeg in evenwicht.

EIB bestudeert jaarverslagen van bedrijven

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels