nieuws

Archeoloog nauw betrokken bij bouwproces

bouwbreed

Nog even en er mag geen heipaal meer geslagen worden voordat archeologen hebben onderzocht of er niets van historisch belang in de grond zit. De kosten van dat onderzoek komen voor rekening van de projectontwikkelaar. Volgens B. Goudswaard, directeur van adviesbureau Archaeologic Consultancy, en J. Mensink, adviseur bij Berenschot Osborne, hoeft niemand zich zorgen te maken. “Archeologisch onderzoek wordt net zo gewoon als bodemsanering.”

Archeologen en bouwers lopen elkaar regelmatig voor de voeten. Aannemers willen ongestoord hun werk doen, oudheidkundigen willen zoveel mogelijk bodemschatten bewaren, constateren Goudswaard en Mensink. Een strijd die meestal door de aannemer wordt gewonnen. Het conserveren van spullen uit het verleden – van vuistbijl tot kasteelfundering – heeft geen prioriteit. Met als resultaat dat in de loop der jaren zeer veel uniek materiaal verloren is gegaan. Zonder maatregelen zouden binnen honderd jaar alle ondergrondse restanten uit het verleden – het bodemarchief, zeggen archeologen – verdwijnen door bouwactiviteiten. Het Verdrag van Malta dat in 2001 van kracht wordt, stelt hieraan paal en perk. In het kort komt het erop neer dat de opdrachtgever van een bouwproject ‘financieel en operationeel’ verantwoordelijk is voor het behoud van archeologisch materiaal dat in de grond verborgen zit. Hij moet een oudheidkundige inhuren die analyseert wat eventueel aan waardevols in de bodem kan zitten.

Methode

Problemen hoeft het niet op te leveren. Mits op tijd wordt bekeken of er iets in de grond zit wat de moeite van het behouden waard is. Dus voordat de bouw is begonnen. Een verkennend archeologisch onderzoek betekent niet dat een groep Indiana Jones-achtige types het bouwterrein op de schop gooien zodat niet meer kan worden gewerkt. De bouw mag geen hinder ondervinden van het oudheidkundig onderzoek. Daarom hebben de archeologen een methode ontwikkeld waarbij van tevoren wordt berekend welk onderzoek nodig is, hoe lang gaat duren en wat het gaat kosten. In eerste instantie kan aan de hand van wat er over de geschiedenis van een gebied bekend is vanachter het bureau worden bekeken of de kans bestaat dat er iets interessants in de grond zit. Daarna kunnen boringen worden gedaan of eventueel proefsleuven worden gegraven. In elke fase kan blijken dat het niet de moeite waard is verder te zoeken. Dan vertrekt de archeoloog en kan de aannemer aan de slag. Als wel iets bijzonders aan het licht komt, wordt besloten wat ermee gebeurt: fysiek beschermen of opgraven. In een uiterst geval kan het voorkomen dat tijdens de bouw een archeoloog een oogje in het zeil houdt. De kosten zijn in die gevallen voor de projectontwikkelaar. Om wat voor bedrag het gaat, verschilt van geval tot geval.

Ongemoeid

Opgraven heeft overigens niet de voorkeur. Liever laten archeologen het bodemarchief ongemoeid, zodat het later, als er betere technieken bestaan, kan worden onderzocht. Veelal is het mogelijk het bouwplan aan te passen. Bijvoorbeeld door een park aan te leggen op een plek die archeologisch interessant materiaal bevat. Vaak kan iets van het verleden zichtbaar worden gemaakt in de nieuwbouw. Zo is op de Vinex- locatie Leidsche Rijn een Romeinse weg gedeeltelijk opgenomen in het landschap. In Leidschendam is in de wijk Roomburg rekening gehouden met het feit dat hier ooit een middeleeuws klooster lag. De volkstuintjes hebben de vorm van kloostertuinen. Dit soort dingen is echter zeldzaam. Een onderzoek in Engeland wijst uit dat slechts bij 0,001 procent van alle bouwprojecten waarbij een archeoloog betrokken was, iets interessants in de grond verborgen zat.

Oudheidkundigen en aannemers hebben totaal verschillende belangen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels