nieuws

Reddende engel moet uit politieke hoek komen

bouwbreed

De meningen over veiligheid in de bouw lopen sterk uiteen. Dat wordt niet in de laatste plaats veroorzaakt doordat het ontbreekt aan een betrouwbare registratie van arbeidsongevallen.

In de afgelopen weken heeft een aantal betrokken partijen een licht geworpen op dit onderwerp. In deze afsluitende bijdrage wordt een balans van meningen opgemaakt. Gepleit wordt voor meer onderzoek en het hanteren van consequente ongevallenstatistieken. Een mogelijke structurele oplossing zou moeten komen uit politieke hoek. Het begon met een verslag van de discussiebijeenkomst ‘Veiligheid in de bouw’. Gevolgd door een heftige pennenstrijd in deze krant met bijdragen van Buur (EIB), Pasmooij (Aboma+Keboma), Huijzendveld (Arbeidsinspectie), Van Haaster (FNV) en Wildeman (CNV). Iedereen is het erover eens dat het in de bouw ontbreekt aan een betrouwbare registratie van ongevallen. Zelfs Huijzendveld, hoofd van de Arbeidsinspectie, weet niet of de arbeidsongevallen in de bouwsector toenemen of juist afnemen. “Omdat de Arbeidsinspectie alleen meldingsplichtige ongevallen onderzoekt, zijn de cijfers van die dienst niet representatief voor alle arbeidsongevallen in Nederland.” Over de zwakte van de Arbouw-ongevallenstatistieken is in deze krant al veel geschreven. Voornaamste bezwaren zijn onduidelijkheid over de samenstelling van de doelgroep en de beperkingen van het enquêteringsinstrument. Overheid, werkgevers- en werknemersorganisaties praten al jaren over een verbetering van de registratie. Bondsbestuurder Van Haaster wordt er mismoedig van. Anderhalf jaar na de actie ‘Nul is genoeg’ zijn er nog steeds geen eenduidige cijfers, constateert hij in zijn artikel (Cobouw 13 juni). Maar zijn de partners eigenlijk wel zo happig op harde cijfers? Er zijn tekenen die erop wijzen dat de behoefte aan eenduidige statistiek minder knellend wordt gevoeld dan in officiële beleidsstukken wordt beleden. Voordeel van onduidelijkheid is dat betrokkenen naar believen kunnen gissen, poneren en claimen. Roepen dat het aantal ongevallen flink afneemt, houdt de Arbeidsinspectie op afstand en zal vermoedelijk een matigende invloed hebben op de hoogte van de boetes. Het betreurde gemis van betrouwbare cijfers weerhoudt Van Haaster er niet van in hetzelfde stuk te schrijven: “De discussie over statistiek kan me gestolen worden.” Een opmerkelijke mededeling die alleen in de context van de omstreden Arbouw-ongevallencijfers te begrijpen valt. Van Haaster is namelijk één van de twee voorzitters van het stichtingsbestuur van Arbouw, en als zodanig medeverantwoordelijk voor de statistische gatenkaas van deze instelling. Waarom, vraag je je af, zorgt Van Haaster er als medevoorzitter van het Arbouw stichtingsbestuur niet voor dat deze instelling om te beginnen dezelfde definitie van de bouwnijverheid hanteert als de Arbeidsinspectie? Waarom wijkt Arbouw af van de bedrijfsindeling (NACE) die de landen van de Europese Unie met elkaar hebben afgesproken en die voor alle lidstaten verplicht is gesteld? In het laatste verslagjaar 1999 heeft de stichting bijvoorbeeld voor het eerst de bitumineuze dakdekkers – een notoire hoge risicogroep – in de jaarlijkse ongevallen-enquête van het EIB betrokken. Vóórdien dus niet, terwijl de instelling wel doet voorkomen dat haar cijfers representatief zijn voor de hele sector.

In dat jaarverslag komt Arbouw, net als voorgaande jaren, met het verhaal dat het percentage werknemers dat een ongeval krijgt, is afgenomen. Van 8,2 procent in 1998 naar 7,8 procent in 1999. De 27 doden die de Arbeidsinspectie vorig jaar registreerde, zijn volgens de Arbouw rekenmethode gereduceerd tot twaalf. Cijfers die dus even mooi als discutabel zijn. Het valt daarom niet mee in Arbouw de voorvechter en bewaker te blijven zien van gezonde arbeidsomstandigheden in de bouw. De hardnekkige productie van kwantitatieve ruis in het veiligheidsdebat werpt een smet op alle andere activiteiten van deze stichting. “Directeur Leen Akkers doet zijn stinkende best”, reageerde een goed ingevoerde Cobouw-lezer telefonisch op de artikelenserie. “Akkers wil wel, maar krijgt de ruimte niet. Hij is budgettair afhankelijk van de werkgevers. Stelt hij zich te kritisch op dan gaat zijn hoofd eraf.” Akkers in de rol van burgemeester in oorlogstijd? Als we de voorzitter van FNV Bouw Roel de Vries de laatste tijd horen uitvaren tegen de bouwwerkgevers, over “de lichtzinnigheid waarmee zij met levens omspringen”, dan lijkt de vergelijking van de bouwplaats met een slagveld niet eens zo ver gezocht.

De effectiefste manier om de eigen gebreken te verhullen, is kritiek spuien op de betrouwbaarheid van andere bronnen. In het EIB-periodiek ‘Bouwwerk’ (april ’99) maakt onderzoeker Lourens korte metten met de representativiteit van de ongevallencijfers van onder meer de Arbeidsinspectie en het nieuwe Letsel Informatie Systeem (LIS) van de Stichting Consument en Veiligheid (SCV). Lourens draagt allerlei verklaringen aan voor de stijging van het aantal ernstige ongevallen. Onder dreiging van hogere boetes en frequentere inspecties zouden de bouwondernemers zich strikter aan de meldingsplicht hebben gehouden. De eerste rapportage van het LIS – een nieuw initiatief van de Stichting Consument en Veiligheid – over 1997 noemt hij van “betrekkelijk weinig waarde, gezien de omvang en de specifieke samenstelling van de steekproef”. Inhakken op de eerste, prille resultaten van het LIS komt flauw over als de hand niet eerst in eigen boezem wordt gestoken. Er is een verschil tussen het EIB en de Arbeidsinspectie en de Stichting Consument en Veiligheid: de twee laatstgenoemde maken in hun rapportages onomwonden melding van de beperkingen van de betreffende registratiesystemen; het EIB doet dat niet, of veel minder duidelijk. In het belang van de helderheid van discussie hadden Arbouw en het EIB – als leverancier van de gatenkaas – er verstandig aan gedaan de hiaten in de enquête consequent en expliciet aan te geven. Niet het ene jaar wél vermelden welke cao’s tot de doelgroep behoren, en het volgende jaar niet. De afwijking van de Europese bedrijfsindeling laat – bedoeld of onbedoeld – ruimte voor mystificatie en manipulatie.

De Stichting Consument en Veiligheid die het LIS heeft opgezet, doet geen enkele poging de zwakke kanten van het systeem te verhullen. Ook in de recent verschenen rapportage over arbeidsongevallen in 1998 maakt de stichting een duidelijk voorbehoud: “LIS bevat door de aard van de gegevensverzameling minder betrouwbare en/of minder gedetailleerde informatie over bedrijfstak, beroep, toedracht van het ongeval, voorwerp/arbeidsmiddel en combinatie-ongevallen.” Maar dat neemt natuurlijk niet weg dat de registratie en analyse van alle letsels van alle slachtoffers van bedrijfsongevallen die in ’97 en ’98 bij de Spoedeisende Eerste Hulp Afdelingen van de zestien deelnemende ziekenhuizen zijn binnengebracht een uitermate waardevolle bron is voor een beter inzicht in de arbeidsrisico’s op de bouwplaats.

Vijftienduizend spoedeisende eerste hulpbehandelingen heeft het LIS in ’98 onderzocht. “Een representatieve steekproef van ongeveer vijftien procent uit het totaal van ongeveer 130 algemene en academische ziekenhuizen in Nederland”, onderstreept de SCV de ambities van het onderzoek. De resultaten komen overeen met de bevindingen van de Arbeidsinspectie. Van een afname van het aantal ongelukken is geen sprake. Bouw en metaalindustrie zijn de gevaarlijkste bedrijfstakken. In ’98 is het aantal spoedeisende eerste hulpbehandelingen per duizend werkenden in de bouw gestegen van dertig naar 32. “De ernstigste letsels lijken voor te komen in de bouw”, concludeert de SCV voorzichtig. “De ernst van de letsels neemt toe naarmate de leeftijd hoger is.” Daarbij gaat het vooral om fracturen. De consistentie tussen de cijfers van het LIS en die van de Arbeidsinspectie versterkt de – ook door Aboma+Keboma gesignaleerde – aanwijzingen dat er een verontrustende toename is van het aantal ernstige ongevallen in de bouw. Aangenomen dat de Arbouw/EIB- enquêtes hoe dan ook een bepaalde trend aangeven – afname van het ongevallenrisico – dan ligt het voor de hand deze afname vooral te interpreteren als een vermindering van de kans op oppervlakkig letsel. “De discussie over de statistiek kan me gestolen worden”, schrijft Van Haaster. Toch baseert de bondsbestuurder zijn scherpste aanklacht – de meest wezenlijke bijdrage aan de discussie in deze krant – op cijfers. “Waar het om gaat”, stelt Van Haaster, “is de vraag: hadden die ongelukken voorkomen kunnen worden? Een volkomen terechte aanscherping. Natuurlijk is dat de kernvraag. Waarop Van Haaster bovendien het verbijsterende antwoord geeft: “Ja, 87 procent van alle ernstige ongelukken had voorkomen kunnen worden”. Van Haaster heeft dat gewoon uit de jubileumuitgave ‘Veiligheid in de bouw’ van Aboma+Keboma gehaald. ‘Geconcludeerd’, is eigenlijk een beter woord, want zo hard als hij het formuleert, staat het er natuurlijk niet. Als slechts dertien procent van alle ernstige ongelukken aan onvoorzichtigheid, onoplettendheid en roekeloosheid te wijten zijn, zoals de onderzoekers melden, en “het overgrote deel een andere, in het werk gelegen oorzaak heeft”, dan betekent dit dat de resterende 87 procent aan de opdrachtgevers en werkgevers te verwijten valt. Geen van de sprekers heeft hier tijdens de jubileumviering op gewezen. Van Haaster heeft een vat olie op het vuur gegooid. Onmacht, is het woord dat het hele veiligheidsdebat het treffendst typeert. Onmacht van alle betrokken partijen: overheid, opdrachtgevers, werkgevers en werknemers. Geen van de betrokkenen is bij machte de vicieuze cirkel van risico’s, kosten, concurrentieoverwegingen en individuele en collectieve verantwoordelijkheden te doorbreken.

Het moet voor een aannemer een verschrikking zijn als er een medewerker op het werk om het leven is gekomen. ‘Heb ik er alles aan gedaan om het te voorkomen?’, is een vraag die lelijk kan opspelen. Zeker nu we van Aboma+Keboma weten dat het antwoord in 87 procent van de gevallen ‘nee’ is. Daar praat je liever niet over.

“Na een ongeval willen de medewerkers snel een oplossing en niet blijven stilstaan. Er moet gewoon doorgegaan worden”, schrijft dr.ir. Sjirk Meijer. Hij is als onderzoeker verbonden aan de faculteit bouwkunde aan de TU Eindhoven en promoveerde een jaar geleden op de studie ‘De gordiaanse knoop van organisatie- en veiligheidscultuur’. Het is ontluisterend hoe Meijer de zwakke schakels in de risicobeheersing blootlegt. Zeggen en doen, zijn op de bouwplaats twee verschillende dingen, zo constateert Meijer. “Aan de ene kant wordt veiligheid zeer belangrijk geacht. Aan de andere kant wordt er niet gehandeld alsof veiligheid zeer belangrijk is. Veiligheid mag de doorgang van het werk niet in de weg staan. (…) Doorwerken is het belangrijkst, daarna komt pas veiligheid”, concludeert Meijer die voor zijn onderzoek twee jaar in de bouw heeft gewerkt, onder meer als staalvlechter en als assistent timmerman. “Vrijwel nooit hoor je”, schrijft hij, “dat iets niet doorging omdat het te gevaarlijk was. Wel wordt er enkele keren, zowel door hoog als laag in de organisatie, gezegd dat ze blij waren dat een bepaald werk voorbij was. Het was te gevaarlijk. Een uitvoerder zegt dat het wel voorkomt dat ze ‘met schaamrood op de kaken een methode doen die eigenlijk niet door de beugel kan’. Het proces moet gaande gehouden worden. Er staan mensen te wachten. Er wordt geld verspild.”

Het niveau van de veiligheidsdiscussie is oppervlakkig, oordeelt Meijer. “Er wordt eerder gezocht naar de factoren binnen een organisatie die direct invloed hebben op de veiligheid. De dieperliggende veronderstellingen worden niet bereikt of ze worden niet expliciet gemaakt.” ‘Menselijke fout’ is het vaakst aangekruiste vakje op de ongevalsformulieren. Ongevalsoorzaken worden zelden in de organisatie gezocht. “Vrijwel altijd worden ongevallen toegedicht aan een fout van een medewerker op het laagste niveau. Het slachtoffer krijgt de schuld en daarmee is de kous af.” Leren van fouten, ervaring opdoen, is een zaak van de individuele werknemer. De organisatie blijkt nogal hardleers. “Ongelukken en bijna-ongelukken worden niet of nauwelijks op zo’n manier geanalyseerd dat er kennis uitkomt die breder kan worden verspreid. Als er iets is gebeurd zonder consequenties dan is er niets aan de hand, want er zijn nu en in de toekomst geen sporen van het voorval.”

Hoe lang krijgen opdrachtgevers en werkgevers nog de gelegenheid de beschamende werkelijkheid te verdoezelen? Even leek het erop – toen de huidige minister van defensie De Grave nog staatssecretaris van sociale zaken was – dat veiligheid een hogere plaats op de politieke agenda had gekregen, maar onder zijn opvolger Hoogervorst is de belangstelling weer teruggezakt tot het niveau van pappen en nathouden. Toch zal de structurele oplossing uit de politieke hoek moeten komen. Andere partijen zijn hiertoe niet in staat. Werkgevers- en werknemersorganisaties houden elkaar in een verlammende greep. “We steken meer tijd in een dialoog met werkgevers of we samen deze problemen oppakken dan dat we praten over de inhoud”, sprak Roel de Vries, voorzitter FNV Bouw, bij het 125-jarig bestaan van de afdelingen Rotterdam. “Werkgevers willen veel meer naar individuele bedrijven delegeren, terwijl wij vinden dat we ook als bedrijfstak een verantwoordelijkheid hebben”, bespeurde De Vries onder de werkgevers een bedenkelijke tendens naar een ieder-voor-zich-aanpak.

De deelnemers aan de veiligheidspolemiek pleiten allemaal – de een nadrukkelijker dan de ander – voor nader onderzoek naar de oorzaak van de ernstige ongevallen. “Wellicht is de bedrijfstak warm te maken om een dergelijke studie in gang te zetten”, doet Pasmooij een oproep de discussie op een hoger niveau voort te zetten. “Het onderwerp is er in elk geval belangrijk genoeg voor.” Zo’n onderzoek zou in eerste aanzet beperkt kunnen blijven tot een literatuuronderzoek. Er is per slot van rekening al heel wat over geschreven. Alleen al de studie van dr. Meijer biedt tal van aanknopingspunten voor nadere evaluatie. Vroeg of laat zal de kans op een ongeval in de bouw even groot zijn als in een relatief veilige bedrijfstak als de land- en tuinbouw (ongeveer vijftien arbeidsongevallen per duizend werkzame personen). Aannemers en opdrachtgevers moeten wel. Op allerlei manieren zal de samenleving laten merken dat het hoge ongevalsrisico niet meer wordt geaccepteerd: torenhoge schadeclaims, geen mens die nog bouwvakker wil worden. Moet je opletten hoe snel de aannemers de veiligheid op de bouwplaats dan op orde hebben.

Onmacht typeert debat veiligheid

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels