nieuws

Grote steden vergen breder draagvlak

bouwbreed

Het grotestedenbeleid moet economische potenties versterken en leefbaarheid en veiligheid verbeteren. Ook moet het een dreigende sociale en ruimtelijke tweedeling van de stedelijke samenleving een halt toeroepen.

De resultaten tot nu toe zijn echter niet opzienbarend. Ruim vijf jaar geleden, bij het aantreden van het eerste paarse kabinet, ging het grotestedenbeleid van start. Het betreft vijfentwintig steden, die ongeveer een derde van de Nederlandse bevolking herbergen. Jaarlijks evalueert het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek van de Erasmus Universiteit de concrete beleidseffecten. De resultaten van de eerste convenantsperiode zijn inmiddels bekend en onder aanvoering van minister Van Boxtel zijn nieuwe afspraken met de gemeenten gemaakt in de vorm van “doorstartconvenanten”. Het onlangs verschenen Jaarboek 1999 Grotestedenbeleid maakt met de nodige voldoening melding van de verbetering van de werkgelegenheid en het terugdringen van de werkloosheid. Realistischer lijkt evenwel de constatering dat deze positieve trend gelijk oploopt met de rest van ons land. Wel lijkt het erop dat in achterstandswijken recent een iets gunstiger ontwikkeling gaande is, onder andere omdat allochtone werkzoekenden er steeds meer in slagen aan de slag te komen. In 1999 daalde in de helft van de grote steden de werkloosheid in achterstandswijken iets sneller dan de rest van de stad. Weliswaar vormt een stad als Utrecht hier een uitzondering op, maar qua werkloosheid lopen achterstandswijken een deel van hun achterstand in.

Veiligheid

Daar staat tegenover dat qua leefbaarheid een verslechtering is opgetreden. Zowel de kwaliteit van het wonen als de mate waarin burgers buurtproblemen ondervinden is redelijk stabiel. Helaas geldt dat niet voor achterstandswijken waar sprake is van een absolute en relatieve verslechtering van de woonomstandigheden. Bewoners daar zijn aanmerkelijk vaker het slachtoffer van criminaliteit. Gevolg van dat alles is onder meer dat het gevoel van onveiligheid is toegenomen. Dat geldt grosso modo voor inwoners van alle grote steden.

Taai

Duidelijk is inmiddels dat de doelstellingen voor de grote steden niet met één forse beleidsimpuls gerealiseerd worden. Hoewel er op basis van de convenanten tot nu toe een bedrag van – schrik niet – 16,5 miljard is toegekend voor “werk en economie”, “fysieke infrastructuur” en “sociale infrastructuur” is er sprake van veel taai ongerief. Alle grote steden hebben inmiddels bij de verantwoordelijke bewindslieden Van Boxtel en staatssecretaris Remkes van VROM hun huiswerk in de vorm van “meetbare ambities” ingeleverd en wachten nu op nieuwe budgettaire toezeggingen. Groningen deed dat onder het motto “Het Stedelijk Alternatief”, de gemeente Leiden met “Leiden maakt kennis”. Maar het zijn niet de slogans of het fraai geformuleerde, geïntegreerde gemeentelijke beleid waar het om zou moeten gaan. Het gaat nu om het realiseren van ambities en van de min of meer harde doelen van de rijksoverheid. En de verwezenlijking daarvan kan niet zonder draagvlak. Het politiek-bestuurlijk draagvlak is daarbij niet het eerste probleem, want elk gemeentebestuur is van de waarde van de doorstartconvenanten met de rijksoverheid overtuigd. De erkenning van het specifiek grootstedelijke van de huidige problemen alleen al is immers van veel belang. Dat zou ook inwoners, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties moeten motiveren om samen met de overheid op een verantwoordelijke manier de positie van (individuele) steden te versterken.

Bronnen:

A.O. Verweij, E.J. Latuheru: De kracht van de stad, Uitg. Van Gorcum & Comp. (Assen, 2000).

A.O. Verwey, E.J. Latuheru, T.J. Niehof, A.M.G. Vreeswijk: Jaarboek 1999 grotestedenbeleid, Uitg. Van Gorcum & Comp. (Assen, 2000).

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels