nieuws

Bebouwen van oude vuilstortplaatsen vermindert ruimtenood

bouwbreed

Oude stortplaatsen verminderen het tekort aan bouwgrond, zeggen ir. W. van Vossen en drs. B. van de Griendt van adviesbureau Iwaco. Ze kunnen namelijk worden gebruikt voor de realisering van onder andere parkeerplaatsen, bedrijventerreinen en soms ook woningen.

De uiteindelijke bestemming van de storten hangt af van de behoefte. Belten genieten geen al te beste reputatie, weet Van Vossen. De praktijk toont evenwel een minder kwalijk beeld. Anders dan aanvankelijk werd gedacht, verdwijnt aan de onderkant van de storten geen vuil in de bodem dat een snelle sanering noodzakelijk maakt. Die kennis doet vermoeden dat de aanpak van voormalige belten minder kost dan de eerder berekende tien tot vijftien miljard gulden.

Doorsijpelen

Buitenlands onderzoek leerde reeds dat storten welbeschouwd zichzelf saneren. Recente Nederlandse studies bevestigen die uitkomsten. De natuurlijke processen die in het gestorte afval optreden, verminderen het doorsijpelen van vervuiling naar het grondwater. Dat gegeven verlaagt het financiële risico van de projectontwikkelaar die op een belt wil bouwen, benadrukt Van de Griendt. Nederland telt ruim 3800 oude stortplaatsen, geëxploiteerd in de jaren vijftig tot en met zeventig. Die kregen veelal een laagwaardige, maatschappelijke bestemming. Zo’n tien procent van de storten vereist maatregelen. Waarbij Van Vossen opmerkt dat op ruim vierhonderd stortplaatsen dus wel iets aan de hand is. Desondanks ligt een halvering van de oorspronkelijk begrote saneringskosten in het verschiet. Bouwen op belten is minder vreemd dan het lijkt; ook in Nederland zijn op dergelijke locaties al bedrijventerreinen aangelegd. Ook zijn nogal wat woningbouwgebieden met vuilnis opgehoogd. Stortplaatsen voor huishoudelijk afval zijn welbeschouwd grote composthopen. Belten breken zichzelf biologisch af, stelt Van Vossen. Afhankelijk van de concentratie ruimt de natuur in tien of vijftien jaar al veel op. Naarmate dit proces vordert, ontwijken steeds minder vluchtige stoffen en worden chemische stoffen vastgelegd.

Bouw- en sloopafval

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is er geen enkel bezwaar te bouwen op storten die aan deze wetmatigheden voldoen, concludeert Van de Griendt. Technisch doen zich weinig problemen voor, temeer daar oude stortplaatsen weinig zettingen meer vertonen. Als op de belt ook bouw- en sloopafval is gestort, financiert het bouwrijp maken zich voor een deel zelf. Dit materiaal kan als secundaire bouwstof worden afgezet. Daardoor vermindert ook de omvang van de belt. Een stortplaats is wat risico’s betreft niet anders dan een andere vervuilde locatie. Daarvan worden er al heel veel bebouwd, weet Van de Griendt. Een goede onderlinge afstemming van de technische, financiële en juridische aspecten maakt een optimaal gebruik van terreinen mogelijk. Nieuwe inzichten in bodemsanering verminderen de investering.

Bufferzone

Dat blijkt bijvoorbeeld uit een nieuwsbrief van de stichting Bodemsanering NS. In 1996 werd ruim 3,5 miljard gulden begroot voor de schoonmaak van voormalige spoorwegterreinen. Nieuwe technieken en nieuw beleid halveerden dat bedrag. Niet alles wat in een stortplaats bevat, hoeft eruit als rond de belt een afdoende bufferzone wordt gecreëerd. Dat vergt volgens Van Vossen en Van de Griendt een omslag in het denken. Niet alleen bij projectontwikkelaars en bouwbedrijven, maar ook bij milieukundigen. Uitgaande van ruim vierduizend stortplaatsen met een gemiddeld oppervlak van 2,5 hectare betekent dat zo’n tienduizend hectare bouwgrond.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels