nieuws

Ongeldige inschrijving door ontbreken ISO-certificaat

bouwbreed

Opdrachtgevers kunnen voor een openbare inschrijving in hun bestekken de eisen opnemen waaraan inschrijvers moeten voldoen, willen zij voor de gunning van het werk in aanmerking komen. Dat het voor aanbestedende instanties niet altijd even gemakkelijk is te beoordelen of inschrijvers aan die eisen voldoen, ondervond een van onze twaalf provincies .

De provinciale dienst die de wegmarkeringen in een gedeelte van het aan haar toevertrouwde gebied wilde laten onderhouden, plaatste in mei 1998 een advertentie waarin de openbare aanbesteding van dat werk werd aangekondigd. In het bestek werd vermeld dat alleen inschrijvers in aanmerking kwamen, die konden aantonen dat zij (redelijkerwijs) in staat zijn het werk vakkundig en op regelmatige wijze uit te voeren. Daartoe moest een lijst worden overgelegd met werken die de laatste drie jaren waren uitgevoerd. Men vond het niet nodig eisen te stellen aan de omvang van die werken. Evenmin was een ‘zelf-vereiste’ in het bestek opgenomen, zodat ook de ervaring van eventuele dochterbedrijven gold als die van de inschrijver.

Een belangrijk vereiste was ook dat de inschrijver diende te beschikken over een kwaliteitssysteem-certificaat volgens ISO-9001 of -9002 dat betrekking heeft op de aard van het werk. Daarnaast werd geeist, dat inschrijvers in het bezit moesten zijn van KOMO-procescertificaten voor het appliceren (waarom niet het goede Nederlandse woord aanbrengen, provinciale bestekschrijver?) van wegenverf en markeringsmateriaal. Daaraan werd uitdrukkelijk toegevoegd dat inschrijvers die voor het markeringswerk onderaannemers wilden inschakelen, schriftelijk moesten verklaren dat alleen te doen als die in het bezit waren van zulke KOMO-certificaten.

Gunning

Toen de provincie aan een inschrijver liet weten van plan te zijn niet aan hem maar aan een ander het werk te gunnen, vroeg die een spoedarbitrage bij de Raad aan om dat te verhinderen.

Als eerste argument voerde hij aan dat de andere inschrijver een houdstermaatschappij was en niet zelf dergelijke werkzaamheden had uitgevoerd. Omdat in de gunningseisen geen ‘zelf-vereiste’ was opgenomen en die maatschappij dochterondernemingen had die in dit werk gespecialiseerd waren, kon naar het oordeel van de Raad hun ervaring aan de inschrijver worden toegerekend.

Evenmin succes had eiser met zijn verhaal dat de andere inschrijver niet in het bezit was van een KOMO-certificaat. Aan de eis van de provincie dat de betrokken inschrijver diende te verklaren dat hij alleen onderaannemers zou inschakelen die wel over zo’n certificaat beschikken, was echter voldaan. Maar ja, nooit geschoten is altijd mis, zullen de raadslieden van de eisende inschrijver wel gedacht hebben. En zowaar, met hun laatste argument schoten zij midden in de roos !

De inschrijver aan wie de provincie het werk wilde gunnen was niet in het bezit van het ISO-certificaat. Dat moest hij tegenover de arbiters van de Raad ook toegeven. Die zeggen tenminste in hun vonnis, dat hij “niet betwist daarover te beschikken”.

Ik denk dat zij bedoelen dat hij niet kon tegenspreken, dat hij er niet over beschikte; de gekozen onduidelijke formulering leidde in elk geval tot hun conclusie dat het argument van eiser wel steek hield.

Het feit dat een dochtermaatschappij wel over het vereiste certificaat beschikte, was hiervoor niet voldoende, zoals dat wel was geweest wat betreft ervaring. Het verschil tussen de KOMO- en de ISO-eis zat hem in het feit, dat het voor de eerste niet nodig was dat de inschrijvers zelf over dat certificaat beschikten. Het ‘zelf-vereiste’ was immers niet in de bestekseisen opgenomen en als de inschrijver het werk niet zelf zou uitvoeren, hoefde hij alleen maar te verklaren dat de ‘dochter’ die dat zou doen, in het bezit was van een KOMO-certificaat.

Niet gebonden

De arbiters van de Raad waren nu gebonden aan het feit, dat de provincie niet een dergelijke mogelijkheid had geboden wat betreft de ISO-eis. Formeel gezien zou de houdstermaatschappij-inschrijver namelijk een willekeurige dochteronderneming kunnen inschakelen, want in dat opzicht had zij zich niet gebonden zoals ten aanzien van de KOMO-eis.

De Raad kon daarom niet anders dan de inschrijving ongeldig verklaren. Zij voldeed immers niet aan een van de eisen in het bestek. De van toepassing zijnde UAR 1986 zeggen duidelijk dat inschrijvingen die niet voldoen aan de eisen van de UAR, de bekendmaking, het bestek of de nota van toelichting, ongeldig zijn.

Er volgt wel een uitzondering op die regel. Als de inschrijving voldoende zekerheid biedt over de aanbieding en de persoon van de inschrijver, hoeft die niet als ongeldig te worden beschouwd. Maar daar ging het hier niet om. De onzekerheid lag op een ander terrein: de vraag of de dochter die het werk zou uitvoeren, een papiertje had waaruit blijkt dat hij kan beantwoorden aan de norm voor kwaliteitszorgsystemen.

Had de provincie maar hetzelfde gedaan als bij de KOMO-eis. Een simpele verklaring dat alleen een dochter in het bezit van het ISO-certificaat het werk zou uitvoeren, had de provincie niet alleen de vertraging in de uitvoering kunnen besparen, maar ook nog de proceskosten waartoe zij en de andere inschrijver werden veroordeeld.

Een volgende keer beter ? Maar dan moet je wel van deze foutjes leren door regelmatig dit soort uitspraken over aanbestedingen lezen.

(BR 2000 p. 356), Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels