nieuws

Pas op met algemene voorwaarden

bouwbreed

Bij overeenkomsten in de bouw worden tal van standaard voorwaarden gehanteerd. Grote en kleine aannemers hebben hun eigen varianten, net als architecten. Bij geschillen speelt een cruciale rol welke voorwaarden zijn overeengekomen.

Bij aannemingsovereenkomsten voor de grotere werken worden meestal de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken (UAV) gehanteerd. Voor kleinere werken de Algemene Voorwaarden uitvoering Kleine Aannemingen in het bouwbedrijf (AVKA) dan wel de AVA (Algemene Voorwaarden voor Aannemingen in het bouwbedrijf). In architectenovereenkomsten worden meestal de Standaardvoorwaarden Rechtsverhouding Opdrachtgever-Architect (SR 1997) van toepassing verklaard.

In bijna alle algemene voorwaarden wordt bepaald dat geschillen tussen partijen niet door de gewone rechter, maar door arbitrage beslecht zullen worden. Het arbitrage-instituut, dat in UAV, AVKA en AVA wordt genoemd, is de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland. Bij opdrachten aan architecten is volgens de SR het Arbitrage-Instituut Bouwkunst bevoegd, terwijl over geschillen die rijzen na opdrachten aan adviserende ingenieursburo’s krachtens het RVOI 1998 door de Commissie van Geschillen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI) wordt beslist.

Daarnaast hanteren sommige bedrijven eigen voorwaarden, waarin weer de gewone rechter bevoegd wordt verklaard.

Problemen

Het zonder meer van toepassing verklaren van eigen voorwaarden bij het verlenen van een opdracht en bij het aanvaarden ervan, leidt soms tot problemen omdat beide partijen ervan uitgaan dat de regeling, die in hun voorwaarden voorkomt, van toepassing is.

Zo moest de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in een paar maanden tijd zich drie keer onbevoegd verklaren omdat bleek dat partijen in feite geen overeenstemming hadden bereikt over de geschillenbeslechting.

Het eerste geval deed zich voor naar aanleiding van de levering van bouwvilt aan een aannemers-combinatie, die een muziekcentrum aan het bouwen was. De leverancier vermeldde bij de factuur dat zijn leveringsvoorwaarden van toepassing waren, maar in de opdrachtbevestiging van de combinatie werd ook weer naar haar eigen voorwaarden verwezen. De vilt-leverancier ondertekende die bevestiging wel voor akkoord, maar voegde aan de vermelding dat de voorwaarden van de combinatie van toepassing waren toe: “mits niet strijdig met onze algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden.” Om een lang verhaal kort te maken: de combinatie, die een geding aanhangig had gemaakt bij de Raad, was er volgens de arbiters ten onrechte vanuit gegaan dat het arbitraal beding in haar voorwaarden van toepassing was, zodat de drie arbiters zich onbevoegd verklaarden.

Onbevoegd

Een maand later besliste de Raad in gelijke zin. Partijen hadden wel voorzien in een arbitraal beding, maar hadden in hun overeenkomst niet aangegeven hoe de arbiters door een ander moesten worden benoemd. In zo’n geval schrijft de wet voor dat partijen dat samen, maar wel binnen twee maanden na het aanhangig maken van hun geschil, moeten doen. Als dat niet gebeurt kan de partij, die er het meeste belang bij heeft, aan de president van de rechtbank verzoeken de arbiters te benoemen.

Ook dat was niet gebeurd en toen de zaak bij de Raad van Arbitrage werd aangebracht, kon die niet anders constateren dan dat arbiters niet waren benoemd door de president en dat partijen het er ook niet over eens waren geworden dat de voorzitter van de Raad van Arbitrage die benoeming kon verrichten. Dus verklaarden ook zij zich onbevoegd.

Onmogelijk

Het derde geval leverde een schoolvoorbeeld op van het sluiten van een overeenkomst op een manier, die de oplossing van een geschil door arbitrage onmogelijk maakt, als tenminste partijen daartoe niet alsnog besluiten.

Een telefonische bestelling van een aannemer werd wel, zoals dat dient te gebeuren, schriftelijk door hem bevestigd en door de leverancier aanvaard, maar de door beiden van toepassing verklaarde algemene voorwaarden verschilden wezenlijk op het punt van de geschillenbeslechting.

De aannemer, die de Raad van Arbitrage als geschillenbeslechter in zijn Algemene Voorwaarden had opgenomen, legde zijn geschil met de leverancier voor aan de Raad. De benoemde arbiter zag dat in het Burgerlijk Wetboek wel een regeling staat voor het geval partijen ieder voor zich naar algemene voorwaarden verwijzen. Hij las daarin dat niet de vraag, wie het eerst naar zijn algemene voorwaarden heeft verwezen, beslissend is, maar of het aanbod waarbij die verwijzing is gedaan, door de ander aanvaard is.

Als aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden verwijzen, komt volgens de wet zegt aan de tweede verwijzing geen werking toe als daarbij de andere voorwaarden niet uitdrukkelijk van de hand worden gewezen. Dat nu was niet gebeurd door de aannemer toen hij de offerte van de leverancier onder diens eigen voorwaarden aanvaardde.

Ook hier moesten de arbiters zich dus weer onbevoegd verklaren. Tenminste om een uitspraak te doen over het verschil van mening tussen partijen. Maar niet om te beslissen over de kosten van het geding.

Hoewel sommige rechtsgeleerden zich op het standpunt stellen dat arbiters, die zich onbevoegd verklaren geen uitspraak kunnen doen over deze kosten en dus geen vonnis kunnen wijzen, stellen de meeste arbiters zich op een wat praktischer standpunt en geven in hun ‘uitspraak’ aan wie de proceskosten en dergelijke moet betalen. Maar dat doen ze niet allemaal voor alle kosten. Zo heeft een arbiter van het Arbitrage Instituut Bouwkunst zich eens op het standpunt gesteld, dat hij als onbevoegde wel bevoegd was de eiser te veroordelen tot de kosten van het geding, maar niet in een bijdrage aan de kosten van zijn tegenpartij. Ook de Commissie van Geschillen schijnt zich op dat standpunt te stellen.

Praktisch

De enige oplossing voor dit probleem ligt natuurlijk bij de wetgever. Die moet uitmaken of een arbitrale onbevoegdheidsuitspraak nu wel of juist niet een vonnis is, want dat is de basis van het verschil in opvatting over de vraag of onbevoegde arbiters al dan niet een beslissing over de kostenverdeling kunnen geven.

Zolang de wetgever zich daarover niet heeft uitgesproken moeten arbiters zich maar net zo praktisch opstellen als die in ons derde geval. Die belastten de eisende aannemer met de kosten van het geding (1410 gulden) en tot een tegemoetkoming in de kosten van processuele bijstand van zijn leverancier (1420 gulden).

Maar de oplossing van het basis-probleem, dat ontstaat bij het alleen van toepassing verklaren van de eigen voorwaarden, ligt natuurlijk bij partijen. Die dienen zich wel te realiseren, dat zij nogal wat tijd en kosten kunnen besparen als zij al het bij het sluiten van hun overeenkomst eens worden over de vraag wie hun eventuele geschil moet beslechten.

(BR 2000 p. 344 e.v.)

Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels