nieuws

Val van onveilige steiger

bouwbreed

Wie aansprakelijk is voor de gevolgen van een ongeval is soms een lastige juridische kwestie. Uitgangspunt in ons burgerlijk recht is, dat aansprakelijk is diegene in wiens dienst een ondergeschikte bij zijn werk een fout maakt waardoor aan een ander schade wordt toegebracht.

Deze risicoaansprakelijkheid van de werkgever lijkt een eenvoudige regeling, maar de toepassing ervan kan ingewikkeld worden als sprake is van een of meer onderaannemingen.

Daarvan was sprake bij de bouw van een aantal flatgebouwen. Voor het metselwerk werd door de aannemer een onderaannemingsovereenkomst gesloten met iemand, die we voor het gemak hier Bakker noemen. Het voegen werd weer aan een ander uitbesteed, die hier verder als Hendrikse te boek staat.

Een van de metselaars van Bakker zakte door de steiger op het vierde niveau en raakte daarbij ernstig gewond. De man, zeg maar Cornelissen, hield er blijvend letsel aan een van zijn knieen aan over.

Hij kreeg van zijn baas nog over een vol jaar salaris. Bakker was daarvoor niet verzekerd en wilde dat loonbedrag en de schade die hij nog zou lijden, verhalen op de hoofdaannemer. Die wees alle aansprakelijkheid af omdat hij het per verdieping demonteren en opnieuw opbouwen van de steigers had uitbesteed aan Hendrikse. Volgens de hoofdaannemer was die aansprakelijk voor alle schadelijke gevolgen van het ongeluk, omdat zijn mensen het steigerwerk niet deugdelijk hadden gelegd.

Aansprakelijkheid

Bakker zette zijn eis door en zo kwam zijn vordering voor de Raad van Arbitrage. Daarbij kwam aan het licht dat Cornelissen in opdracht en op aanwijzing van de hoofduitvoerder van de hoofdaannemer werkte.

Ook als Hendrikse aansprakelijk zou zijn voor de gevolgen van het ongeval, zou de hoofdaannemer toch aansprakelijk zijn voor de schade van Bakker, zo redeneerde de gemachtigde van Bakker. Artikel 6:171 van het Burgerlijk Wetboek geeft namelijk als aanvulling op de bepaling over de aansprakelijkheid voor fouten van ondergeschikten een aanvullende regeling. Voor het geval een niet-ondergeschikte in opdracht van een ander werkzaamheden in de uitoefening van diens bedrijf verricht en tegenover een derde aansprakelijk is voor een door hem gemaakte fout, dan is ook die ander jegens die derde aansprakelijk.

De arbiter vroeg zich af wie voor de onvoldoende beveiliging van de steiger aansprakelijk was. Hendrikse was op de hoogste verdieping begonnen met het voegwerk en werkte dus naar beneden toe, waarbij hij telkens de hogere steiger afbouwde. Alleen op de steigerverdieping waar gewerkt werd lagen planken, die bij de afbouw dus telkens mee naar beneden verhuisden. De hoofduitvoerder controleerde dagelijks of de steigerplanken wel goed lagen. Pas als dat zo was, gaf hij het seintje dat er kon worden gewerkt.

Controle

Cornelissen, die aan het werk was aan een andere flat, werd dan opgeroepen om raamdorpelstenen te leggen, terwijl de mensen van Hendrikse aan de andere kant van het gebouw aan het voegen waren.

De man die het sein op groen moest geven voordat op een bepaald steigerniveau kon worden gewerkt, maakte ook het rapport van het ongeval op. Daarin gaf hij als zijn mening dat de steiger onvoldoende was dichtgelegd. Kennelijk had hij dat bij zijn controle-rondje over het hoofd gezien, concludeerde de arbiter van de Raad. Voor die fout was zijn werkgever zelfstandig aansprakelijk uit onrechtmatige daad tegenover de werknemer van Bakker, luidde diens conclusie.

De vraag of die hoofdaannemer ook aansprakelijk was op grond van de hierboven genoemde aanvullende rechtsregel dat men ook aansprakelijk is voor niet-ondergeschikten die in zijn opdracht werken, kon daarom volgens de arbiter buiten beschouwing blijven. De hoofduitvoerder had immers de beslissende fout gemaakt en omdat die in dienst was van de hoofdaannemer, was die aansprakelijk. Hij stelde echter Hendrikse aansprakelijk, omdat zijn mensen niet volgens de Arbo-voorschriften hadden gewerkt en de aanwijzigingen van de uitvoerder niet hadden opgevolgd.

Andere conclusie

Onze arbiter kwam bij zijn beoordeling van de situatie tot een andere conclusie dan de rechtsgeleerde gemachtigde van Bakker. Die had het feit dat Cornelisse in opdracht en op aanwijzing van de hoofduitvoerder van de (hoofd)aannemer werkte, als de juridisch relevante grond voor diens risicoaansprakelijkheid art. 6:171 BW aangemerkt.

Dat artikel gaat echter over het geval dat een niet-ondergeschikte een fout maakt waarvoor hij aansprakelijk is. De wet zegt dat dan ook diens opdrachtgever aansprakelijk is. De bedoeling van de wetgever was om hier een situatie te regelen die zich voordoet bij een zelfstandige ‘werknemer’, zoals een taxichauffeur voor wie de gezagsverhouding met zijn opdrachtgever ontbreekt. Die situatie deed zich mijns inziens hier niet voor. Het was juist de ondergeschikte van de hoofdaannemer, in wiens dienst werkzaamheden werden vervuld, die een fout maakte.

Hoewel onze arbiter ook tot de conclusie kwam dat de hoofduitvoerder de fout had gemaakt door niet te zien dat een plank niet goed was gelegd, bracht dat volgens hem mee dat de hoofdaannemer als zijn werkgever ‘zelfstandig’ aansprakelijk was op grond van de algemene bepaling over de onrechtmatige daad. Dat artikel regelt de aansprakelijkheid van de pleger van zo’n daad. Dat was hier niet het geval en daarom gold hier de regeling voor het geval men niet ‘zelfstandig’ als pleger aansprakelijk is. Als men dat is op grond van een bepaalde ‘kwaliteit’, zoals werkgever of opdrachtgever, spreekt men van een ‘kwalitatieve aansprakelijkheid’.

Billijkheid

Zulke speciale regelingen plegen voor de algemene regeling te gaan, niet alleen in ons formele recht. De arbitrale opvatting dat de speciale regeling hier buiten beschouwing kon blijven, was dus – juridisch gezien – een misvatting.

Maar ja, scheidslieden van de Raad beslissen nu eenmaal ‘als goede mannen naar billijkheid’ en zijn dus aan rechtsregels niet gebonden. Dat ze die regels vaak wel hanteren, zou kunnen betekenen dat onze wetgeving net zo goed tot een billijk resultaat leidt als wanneer zij alleen maar hun billijkheidsgevoel zouden laten spreken. Maar het hanteren van wetsartikelen is een vak apart, net als het bouwen van huizen.

(BR 2000 p. 140)

Mr. Math Verstegen

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels