nieuws

Onredelijke gemeente kost gemeenschap geld

bouwbreed

Overheidslichamen worden vaak gezien als abstracte lichamen. Net zo min als in abstracte kunst kun je daar bestaande mensen of dingen in herkennen. In ons recht wordt de overheid wel degelijk als een persoon gezien, zij het dat zij daarin een rechtspersoon wordt genoemd. U en ik zijn daarin natuurlijke personen.

Als we een rechtspersoon in rechte aanspreken, zijn het in feite natuurlijke personen die daarop reageren, net zo goed als het mensen zijn die iets hebben gedaan waarvoor het lichaam dat zij vertegenwoordigen aansprakelijk is. De overheid kan dus net zo goed fouten maken als u en ik. Alleen is dan niet de mens die de fout beging in rechte aanspreekbaar, maar het lichaam waarvoor hij iets deed of naliet.

Altijd als de overheid faalt, is dat in feite het falen van een man of vrouw. En omdat ‘vergissen menselijk is’, kan het net zo vaak voorkomen dat de overheid onrechtmatig handelt, wanprestatie of zelfs een strafbaar feit pleegt als dat dit bij mensen voorkomt.

Ook een onredelijke opstelling van de overheid in het maatschappelijk verkeer is terug te brengen tot de daarvoor verantwoordelijke persoon. Dat hoeft niet steeds een politicus te zijn, want vaak zijn bepaalde bevoegdheden om de overheid te vertegenwoordigen aan ambtenaren gegeven. Maar ook dan is het steeds de gekozen of benoemde gezagsdrager die daarvoor de politieke verantwoordelijkheid draagt.

Welke gemeente zich uitgesproken onredelijk opstelde tegenover de aannemer die zogenaamde 30 kilometer gebieden moest aanleggen, weet ik niet en is ook niet belangrijk. Het is immers niet de gemeente die zich onredelijk opstelde, maar de man of vrouw achter opstelling.

Namens de gemeente werd in mei 1996 aan een aannemer opdracht gegeven voor het aanbrengen van verkeersdrempels, verkeersplateaus en boomplantgaten. Voor het werk, waarop de UAV 1989 van toepassing waren, werden twintig werkbare dagen uitgetrokken. Volgens de gemeente moest als datum van aanvang van het werk 28 mei 1996 gelden. Zij beriep zich daarbij op de UAV, die in par. 7 bepalen dat als datum van aanvang de vijfde werkdag na de opdracht geldt.

Dat formele standpunt deelde de arbiter van de Raad, die het ontstane geschil over de duur van de termijnsoverschrijding behandelde, niet. Om te beginnen had de gemeente niet duidelijk gemaakt dat zij belang hechtte aan die datum.

Werkbare dagen

Belangrijker was dat in de opdracht aan de aannemer stond, dat hij niet eerder mocht beginnen dan nadat hij zich in verbinding had gesteld met de directie. Gemeentelijke molens draaien niet altijd even vlug, zelfs niet als het hard waait, en zo kon het gebeuren dat het contact met de directievoerende ambtenaar pas op 6 juni kon worden gelegd.

Bovendien had de aannemer bij de opdracht vijftien dagen de tijd gekregen om een tijdschema in te leveren, dus tot 6 juni 1996. Dan kun je als gemeente toch niet in redelijkheid zeggen dat het werk tien dagen daarvoor, op 28 mei, had moeten beginnen!

Onze arbiter koos als datum waarvan moest worden uitgegaan bij de berekening van de termijnsoverschrijding, de dag waarop de bewoners over het werk waren geïnformeerd . Dat is nogal een willekeurig moment, omdat het niets te maken heeft met de rechtsverhouding tussen gemeente en aannemer.

Het was mijns inziens beter geweest daarvoor 6 juni te nemen, omdat toen de vijftien dagen voor het tijdschema verstreken waren en ook het contact met de directie plaatsvond. Maar hoe het ook zij, op 10 juni begon de aannemer met de uitvoering van zijn opdracht.

Overschrijding

Hij was er op 5 september 1996 mee klaar. Toen kon het laatste plateau aan het verkeer worden vrijgegeven. De formele oplevering, die pas twee weken daarna plaatsvond, was volgens de arbiter voor de berekening van de door de gemeente opgelegde korting, niet meer van belang.

Die korting wegens termijnsoverschrijding was overigens heel wat hoger bepaald dan het in de UAV genoemde bedrag van 75 gulden. Op de aannemingssom bracht de gemeente de overeengekomen 1000 gulden per dag in mindering. Daarover kon dus geen verschil van mening ontstaan, maar wel over het aantal dagen waarmee dat bedrag moest worden vermenigvuldigd.

De arbiter wilde de datum overnemen waarmee de gemeente de termijnsoverschrijding wilde laten beginnen. Ook over het einde van die overschrijding was hij het niet eens met de gemeente. In plaats van de gemeentelijke 24 dagen kwam hij tot een aanzienlijk kortere termijn. Van de 46 werkbare werkdagen tussen 10 juni en 5 september 1996 trok hij 7,5 dagen onwerkbaar weer af en kende hij tien dagen termijnsverlenging toe.

De gemeente had voor het moeilijker werk slechts vijf dagen toegestaan, maar de arbiter verdubbelde die. Nadat hij met het werk was begonnen, beschikte de aannemer namelijk nog niet over alle benodigde gegevens. Bovendien moest hij nog wachten op het resultaat van het overleg met de bewoners.

Ook het feit dat de gemeente de aannemer, die om termijnsverlenging had verzocht, elf dagen op een antwoord liet wachten, telde de arbiter mee voor het toekennen van tien dagen verlenging. In plaats van twintig 20 werkbare dagen, zoals in de opdracht was vermeld, mocht de aannemer dus dertig werkbare dagen over het werk doen.

Je zou dan verwachten dat de arbiter daarbij nog tien dagen verlenging zou toekennen, waarna hij voor de berekening van de termijnsoverschrijding op die veertig werkbare dagen de feitelijke werkduur in mindering zou brengen. Omdat onbetwist vaststond dat het werk 46 werkbare werkdagen had geduurd, was volgens die berekening zes werkbare dagen te lang over het karwei gedaan.

Maar de arbiter volgde ineens een heel andere rekenmethode. Hij bracht eerst op die 46 dagen 7,5 dag onwerkbaar weer in mindering en daarna de tien dagen termijnsverlenging. Zo kwam hij op 28,5; was 8,5 dag overschrijding. Het grappige is dat de aannemer die zelf op 13,5 werkbare werkdagen had berekend. Wie zich geroepen voelt te zeggen wie van de drie gelijk heeft, mag het zeggen! In elk geval leverde de door de aannemer aangespannen procedure 25-8,5 oftewel 16,5 maal 1000 gulden op.

Verontreinigd

Maar dat was niet alles. Omdat in het bestek en de nota van inlichtingen niets over het verontreinigd zijn van het te storten asfalt-afval was vermeld, werden hem ook de kosten van ruim 301 ton teerhoudend asfalt toegewezen.

In het bestek stond dat alle stortkosten voor rekening van de aannemer kwamen, en daarop beriep de gemeente zich. De arbiter besliste dat in zo’n geval de regeling van de UAV voorgaat. Die schrijft voor dat in het bestek het verontreinigd zijn van uit het werk komende oude bouwstoffen in het bestek moet worden vermeld. Dat was niet gebeurd en daarom hoefde de aannemer daar ook geen rekening mee te houden.

Stortkosten

Die stortkosten kreeg de aannemer dus volledig vergoed: bijna 20.000 gulden. Voeg daarbij nog eens 2000 gulden omdat de gemeente een veel te hoge korting (4500 gulden) had toegepast (bij de boomplantgaten was niet al te fraai werk geleverd), en 10.500 gulden wegens extra uren en het resultaat van zijn stap naar de Raad van Arbitrage bedroeg zo’n 49.000 gulden.

Een zich wat redelijker opstellende gemeente had zich een gedeelte van het bedrag kunnen besparen, want behalve deze hoofdsom werd zij ook nog eens veroordeeld tot betaling van 4664 gulden aan arbitragekosten en 1616 gulden als tegemoetkoming in de kosten van processuele bijstand van de aannemer.

Een wat redelijker opstelling tegenover haar aannemer zou deze gemeente heel wat gemeenschapsgeld hebben gescheeld. Zelfs een wat onafhankelijk denkend ambtenaar op deze gemeentesecretarie kon al tot deze conclusie komen. En als die er niet om gevraagd was of de betrokken wethouder gebrek aan redelijkheidszin moet worden verweten, moet de gemeenteraad maar eens op een wat reëler opstelling van zijn dagelijks bestuur aandringen.

(BR 2000 p. 137)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels