nieuws

Nederlandse architectuur tussen moraal, droom en daad

bouwbreed

Nederlandse architectuur is momenteel een succesnummer in binnen- en buitenland. Er is werk te over. Dat leidt onmiskenbaar tot een zekere zelfgenoegzaamheid. Strijd is zeldzaam geworden. Al is het vermomd in uiteenlopende vormen, het modernisme voert nog steeds de boventoon.

Schandalen zijn in de Nederlandse architectuur zeldzaam. De boeken die er zijn gaan op beschaafde toon over gebouwen en ideeën, zijdelings over personen maar beslist niet over roddels. Het geschiedkundig collectief Crimson is van een nieuwe lichting die de zucht naar sensatie niet schuwt. Rellerige taal dient voor deze jonge honden als breekijzer om de heersende gezapigheid te doorbreken. Want de huidige architectuur, zo oordeelt Crimson, staat nog steeds in het teken van het vooroorlogs modernisme. Daaraan is een onbetwistbare status toegekend, ja zelfs een morele superioriteit.

Hun (Engelstalig) onderzoek naar de recente geschiedenis van de Nederlandse architectuur draagt daarom de ondertitel ‘Stories

from behind the scenes of Dutch moral modernism’. Achter de nette façade schuilt allerlei achterklap. Het zijn verhalen die worden verteld door betrokkenen en opgediept uit oude briefwisselingen. De auteurs willen ermee aantonen dat de morele superioriteit een constructie is, behendig opgezet door de bewierookte architecten zelf en hun volgelingen. Door hen is het modernisme gepositioneerd als iets louter positiefs: functioneel, ter zake, ruim,licht, vol vrijheid voor de gebruiker en vernieuwend in materiaalgebruik.

Het is niet voor het eerst dat een poging tot nuancering wordt gedaan. Er kleven ook nadelen aan het modernisme, zoveel is ondertussen allang duidelijk. Ook het op de hak nemen van het moralisme waarmee Nederlandse architectuur is doordesemd – of moeten we zeggen: de Nederlandse cultuur in het algemeen? – is niet nieuw. Maar de aanpak van Crimson is vrolijk genoeg om niet te vervelen.

Overbodig is de aanval ook niet, want de constructie van de modernisten blijkt nog zo hecht, dat vrijwel alle pogingen tot relativering die postmodernisten hebben ondernomen – door middel herinterpretatie, fantasie-architectuur, collages, fragmentarisering of neo-stijlen – erop zijn stukgelopen.

Documentatie

Nog steeds heerst het moderne ethos of op zijn minst de moderne esthetiek, zo blijkt uit een ander geschiedenisboek: ‘Honderd jaar Nederlandse architectuur – tendensen, hoogtepunten’.

Dit buitengewoon kloeke boek is het absolute tegendeel van het pamflet van Crimson. Aan de hand van twintig zo objectief mogelijke documentaties van belangrijke Nederlandse gebouwen poogt het een beeld te geven van de ontwikkelingen in de afgelopen eeuw, zonder zich uit te spreken over de (morele) waarde ervan. De documentatie wortelt in de aan de TU Delft gangbare plananalyse.

Foto’s – het manipulatieve instrument bij uitstek – nemen daarbij een ondergeschikte plaats in. De kern wordt gevormd door lijntekeningen: van de locatie, isometrie, plattegronden, doorsneden en kenmerkende details. De beschrijvingen volgen eenzelfde systematiek van een zo objectief mogelijk weergeven van situatie, programma, ruimtelijke opzet, draagconstructie en afwerking. Droog maar nuttig, want tenslotte is dit het basismateriaal op grond waarvan heel wat interpretatieverschillen worden uitgevochten.

Achtergronden bij deze fraaie documentatie worden gegeven op een twee meter lang calendarium – een strook waarop architectectonische theorieën en maatschappelijke ontwikkelingen zijn afgebeeld boven een honderd gebouwen. De eerste aanzet tot een interpretatie is te vinden in vier inleidende hoofdstukken. Dat deze inleidingen zijn opgehangen aan stijlen (traditionalisme, expressionisme, functionalisme, rationalisme en postmodernisme) is overigens een curieuze beperking. Onder academici geldt het tegenwoordig als achterhaald om de geschiedenis in stijlmootjes te hakken; veeleer ligt de nadruk op overlappingen, hybride vormen en paradoxen.

Dat het hoofdstuk over postmodernisme begint met de stelling dat deze stroming nooit van de grond is gekomen in Nederland ondersteunt het betoog van Crimson. “Het is zelfs de vraag of postmoderne architectuur in een door welstandscommissies bewaakte bouwproductie eigenlijk wel denkbaar is”, bekritiseert Leen van Duin de nagestreefde visuele eenheid. Ziedaar de gewraakte combinatie van moralisme (welstandstoezicht) en modernisme (de overheersende eenheidsworst).

Repertoire

Wat onmiskenbaar doorspeelt in deze ontwikkeling is de beperkte ontwikkeling van ons land in de negentiende eeuw. Wij kennen eigenlijk geen negentiende eeuwse stedenbouw. Elders zorgde die ervoor dat een nieuw repertoire aan vormen en typen werd ontwikkeld – de boulevard bijvoorbeeld met de daaraan aangepaste woon/winkelgebouwen en de grand ensembles op specifieke punten, de verwerking van klassieke elementen in een nieuwere vormtaal.

Een tipje van die sluier wordt opgelicht in het boek “Nooit gebouwd Nederland”. Uit ontwerpen van bijvoorbeeld Bauer, Walenkamp, de Bazel en Kromhout spreekt een zucht naar vernieuwing, die echter nauwelijks wortel kan schieten. Het is nooit verder gekomen dan dromen. Al toont schrijver Cees Nooteboom compassie hiermee, en biedt hij ook de ruimte aan allerlei nooit gerealiseerde eigentijdse architectuur, toch klinkt er modern moralisme door in het met instemming aangehaalde citaat van historicus Jan Romein: “Van het verhevene naar het belachelijke is slechts een stap, evenals van het diepzinnige naar het zinneloze”.

Gewoon is gek genoeg, recht en strak is beter dan grillige ‘vormwil’, zuinig functionalisme verkieslijker dan grandeur en versierdrift. Theorie moet ook niet te ingewikkeld worden ,op daden komt het aan. In de spraakmakende kringen is dat al gauw, begin deze eeuw, de tendens. De kritiek van Lauweriks op de Beurs van Berlage – “mode-soberheid” en “gewilde eenvoud” – heeft op die kringen geen effect. Al is er een bulk van gebouwen die met de nodige versierdrift wel aanslaan bij het grote publiek, de geschiedenisboeken hebben ze nooit gehaald.

Respectabel

Vrijwel tegelijkertijd zijn enkele fikse monografieën uitgekomen van modernistische Nederlandse architecten. Het is toeval maar herinnert er wel aan dat dit nog steeds de meest respectabele stroming is.

De architecten Wim Quist en Wiel Arets maken gebruik van dezelfde zwart/wit-fotograaf om tot uiting te laten komen hoe belangrijk bij hen de minimalistische soberheid is. Zoals van het verhevene naar het belachelijke een kleine stap is, blijkt uit hun werk dat bij het sobere het nietszeggende op de loer ligt. Het is omineus hoe al het leven geweerd is van de foto’s in de monografie over het kantoorgebouw dat Arets in Heerlen neerzette. Er is zelfs nergens te zien dat het een kantoor betreft.

Uit het recente oeuvre van Quist spreekt hoe zwaar de worsteling is om in een minimale vormtaal tot veranderingen te komen. Het is tragisch te noemen dat de foto waarop hijzelf poseert, genomen is in een van zijn vroegste werken – alsof sinds dat hoogtepunt geen vooruitgang meer is te melden.

Benthem en Crouwel zijn pragmatischer functionalisten. Naargelang de mogelijkheden varieert hun werk in vormentaal. Het sterkst komt dat tot uiting bij het centrum voor popmuziek in Tilburg. De kunststof gevel daarvan is gecapitonneerd met een duizenden cd’s.

Een relatieve buitenbeen in dat gezelschap is Aldo van Eyck. Relatief omdat hij zichzelf altijd tot de modernisten heeft gerekend. Maar zijn oeuvre is, zoals uit een prachtig verzamelwerk blijkt, zo eigenzinnig dat hij toch buiten de hoofdstroom valt. In de loop van zijn leven is zijn werk steeds organischer geworden en daarmee rijker van vorm, kleur en expressie. Dat hij thuishoort in dit betoog is omdat hij een diep spoor van moralisme heeft getrokken. Postmodernisme was in zijn ogen het meest verwerpelijke dat in architectuur denkbaar was. Een echte Hollander dus.

Crimson: ‘Mart Stam’s trousers’, uitg. 010, ISBN 90 6450 344 3, – 45,00

U. Barbieri e.a.: ‘Honderd jaar Nederlandse architectuur’, uitg. SUN, ISBN 90 6168 684 9, -99,00

C. Nooteboom: ‘Nooit gebouwd Nederland’, uitg. Inmerc, ISBN 90 6611 7710, -49,90

A. v.d. Woud: ‘Wim Quist, projecten 1992-2000’, uitg. 010, ISBN 90 6450 377X, -85,00

S. Allen: ‘Wiel Arets, AZL Heerlen’, uitg. 010, ISBN 90 6450 373 7, -65,00

H. v. Dijk e.a.: ‘Benthem Crouwel 1980-2000’, uitg. 010, ISBN 90 6540 378 8, -125

V. Ligtelijn: ‘Aldo van Eyck, werken’, uitg. Thoth, ISBN 90 6868 219 9, -139,50

Ontwerp van Kromhout voor het Nederlandse paviljoen voor de wereldtentoonstelling te Brussel. “Modern”, aldus de architect. Het vanwege de kosten door de Tweede Kamer afgekeurde ontwerp was gedacht in nieuwe materialen als ijzer en gewapend beton.

Van Eyck heeft zichzelf altijd als modernist beschouwd. Zijn werk ontwikkelde zich steeds meer in organische richting. Opzien baarde hij eind jaren tachtig met het kantoorgebouw voor Estec in Noordwijk. Zoveel kleur en vorm was voor een Hollandse modernist ongekend.Het werk van Benthem en Crouwel varieert van woningbouw en een low budget museum als het Nieuw Land poldermuseum in Lelystad tot de omvangrijke uitbreiding van Schiphol.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels