nieuws

Het eigen huis is ook een uiting van de huisstijl

bouwbreed Premium

Spreekwoordelijk is het verhaal over de gaten in de zolen van de schoenmaker. Als we het over huisstijl hebben kunnen we er niet omheen, dat ook de eigen huisvesting een proeve van huisstijl is. Zowel in de uitstraling naar externen, als in de dagelijkse omgang met de eigen mensen. Het is hun werk- en leefomgeving.

Het is alweer zo’n twintig jaar geleden. Ik mocht mijn opwachting maken bij de voorzitter van de Raad van Bestuur van een grote vaderlandse handelsonderneming. Er moest over huisstijl worden gesproken. Te laat wil je dan niet komen, dus er is alle gelegenheid om rustig wat sfeer op te snuiven in de hal van het hoofdkantoor.

De ‘leestafel’ bezoeken. Rondkijken. Mijn hemel, het blijkt een echt heel royaal opgezette entreehal. Een balzaal over twee etages. De architect had er tevens een soort Bouwcentrum van gemaakt met tal van materiaalsoorten: metselwerk, tegels, houtsoorten van alle continenten, verschillende vloeren, kleuren, deuren, de meest uiteenlopende verlichtingsbronnen, balie, ‘kunst’: ik kwam ogen te kort.

Het was verpletterend stijlloos, protserig, onrustig, en vooral de Grote Naam onwaardig. Maar zoiets geeft de argeloze bezoeker direct volop inzicht in smaak en oordeel van de principalen.

Anekdote

Een oud-collega van mij was bij deze beursgenoteerde holding hoofd publiciteit. Na mijn bezoek aan zijn hoogste baas kwam ik bij hem even op verhaal. Ik sprak mijn verbijstering uit over de inrichting van hun ‘corporate’ zetel.

Hij had er een fraaie anekdote over. Toen de Raad van Bestuur de tijd rijp achtte voor het bouwen van een hoofdkantoor, deed men in de vergadering ‘een rondje architect’. Eén van de bestuurders kwam met een naam: Willems (zullen wij maar zeggen). Die stond inderdaad in het telefoonboek. Dus werd hij opgetrommeld, mocht de wensen aanhoren en kroop achter zijn tekentafel. Pas toen het gebouw allang was opgeleverd, werd duidelijk dat déze Willems zelden meer had ontworpen dan wat bedrijfshallen en onderkomens voor de bio-industrie in de Peel. Hij bleek naamgenoot van een collega met een wel heel wat beter oeuvre.

Het Huis spreekt

Tien jaar later ben ik op ‘herhalingsoefening’. Alweer zo’n bedrijf van nationale reputatie. Met erg veel aanloop, vanwege de aard van het bedrijf: veel met externen praten. Ditmaal een hoofdkantoor op een provinciaal industrieterrein.

Het werd een prettig introductiegesprek met de topman over een huisstijlopdracht. Hij bezwoer mij het bestaande logo te respecteren. Er bestond een goede huisstijlcommissie waarmee het prettig werken was.

Dìt hoofdkantoor was opgetrokken uit geschakelde zeshoekige eenheden. Dat had de vervelende consequentie dat er vaak erg dode hoeken ontstonden. Min of meer inpandige ruimten waar nauwelijks of geheel geen daglicht was. De entreehal zal wel voldaan hebben aan de toegestane absolute minimumhoogte, maar je raakte er bij het binnenkomen subiet neerslachtig – zelfs als je niet erg groot uitgevallen bent, zoals ik.

Het gebouw was bij oplevering, tien jaar eerder, al te klein. En het bedrijf groeide gestaag. Men kende geen centrale inkoop van meubilair. Dat zat ook niet in de portefeuille van één van de vijf bestuurders. Gevolg: bij elke uitbreiding van de talrijke kleine werk-units werd de team-secretaresse er op uit gestuurd om een stoel, tafel of kast te kopen. Op zijn best bij Ikea. Maar dikwijls ook bij zo’n kwantumhal annex tapijtboer. Het directe gevolg was, dat de medewerkers in hun beschaamdheid over de behuizing en de kakelbonte, voordelige inrichting, met hun bezoekers maar afspraken bij de lokale horeca.

Steun

Uiteindelijk heeft de huisstijlcommissie mij gesteund bij het presenteren van wèl een nieuw logo. En de directie kreeg ook (ongevraagd) een rapport over de betekenis van de werkomgeving voor het ‘onthaal’ van bezoekers en de motivatie van de medewerkers. De stijl van het huis heeft immers vele fundamenten en zelfs een dak.

Reageer op dit artikel