nieuws

Welstandstoezicht kind van zijn tijd

bouwbreed

Het uur U nadert. Binnenkort behandelt de Tweede Kamer een wetsvoorstel voor wijziging van het welstandstoezicht. De posities lijken ingenomen. Aan de ene kant de lokale toezichthouders. Die vrezen chaos. Aan de andere kant verlichte geesten die manmoedig volhouden dat elke vorm van toezicht uit de tijd is. Het is aan staatssecretaris Remkes de gulden middenweg te vinden.

Aan het ministerie zal het niet liggen. VROM volgt de lijn die ze ook bij het grondbeleid, de Vijfde Nota, en straks bij de vereenvoudiging van de bouwregelgeving lijkt te volgen: laat het veld uitputtend aan het woord om vervolgens de politiek de knoop door te kunnen laten hakken. Het lijkt me een verstandige aanpak, want in de bouwwereld heeft men elkaar stevig in de houdgreep. En welstandscommissies zijn daar, of ze dat nu willen of niet, een onderdeel van. Terwijl dus alles gezegd lijkt te zijn, is nog weinig geschreven over het kader waarbinnen de welstandscommissie oordeelt. Een welstandscommissie is een kind van haar tijd. Nog niet zo lang geleden keken welstandscommissies alleen naar het te bouwen object en zijn belendingen. Men keek niet naar de openbare ruimte. Dat raakte namelijk aan stedelijke ruimte en aan de inrichting daarvan, en daarvoor droeg de gemeente de verantwoordelijkheid. Met het voorliggende wetsvoorstel krijgen welstandscommissies meer ruimte zich te kunnen bemoeien met het stedenbouwkundige aspect van welstand.

Schaal

Dat gebeurt dan wel in een wereld waar de bouwbelangen groter worden, een wereld ook waar gemeenten meer en meer speler worden, of zo men wil, een meespelende rechter. Ook in ander opzicht is de welstandscommissie een kind van haar tijd. In de loop van de tijd is het bouwen grootschaliger geworden De menselijke schaal van weleer wordt meer en meer verdrongen. Daardoor kan het voorkomen dat welstand zich uit moet spreken over een grootschalige ontwikkeling in een bestaande omgeving, die bijna per definitie kleinschaliger is. Wie kent niet het probleem van het bouwen in de Hoogstraat, die in veel binnensteden als winkelstraat voorkomt. Hoe vaak wordt het beeld van zo’n straat niet aangetast door grootschaliger bouw met daarbij de terreur van de franchise-vormgeving. Tegelijk vormen de panden in dergelijke, oude, vaak als boeiend ervaren straten een allegaartje van bouwhoogten. Welke welstandscommissie zou zo’n rommelig gevelbeeld tegenwoordig nog accepteren? En dat terwijl men de meest saaie, uniforme rijtjesbouw klaarblijkelijk wel accepteert?

Gemakzucht

Welstandstoezicht lijkt dan ook gebaat bij fijnmaziger bouwen. Individueel opdrachtgeverschap past daarbij. Afwisseling en variatie is in het stadsbeeld een waarde op zich. In dat opzicht is het sterk afwisselende rijtje woningen aan de Brantasgracht op het Java eiland in Amsterdam een teken van hoop. Maar dan weer laat de welstandscommissie een kloon van dat rijtje, pal om de hoek aan de Lamonggracht, gewoon door. Zelf had ik graag gezien dat het gekloonde blokje was afgewezen, met het argument dat de verschijningsvorm van de stad niet gediend is bij gemakzucht.

Omloopsnelheid

Tot slot past ook enige relativering. De praktijk is nu al dat het gros van de gebouwen, en de lelijke waarschijnlijk nog eerder, binnen honderd jaar weer zijn gesloopt. En die omloopsnelheid lijkt eerder toe dan af te nemen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels