nieuws

Niemand kijkt of dubo werkt

bouwbreed Premium

De Nederlandse overheid is royaal met de financiële ondersteuning van demonstratieprojecten duurzaam bouwen. Voor de evaluaties van dergelijke projecten is echter nauwelijks geld beschikbaar. Vreemde zaak, constateert Anke van Hal, want het doel van demonstratieprojecten is tenslotte er lering uit te trekken. Evalueren en informeren is zeer ten onrechte in het verdomhoekje terecht gekomen.

Het woningbouwproject Ecolonia vormde het eerste en jarenlang belangrijkste paradepaardje van de Nederlandse overheid voor duurzaam bouwen. Aan het project werd een voorlichtingscentrum gekoppeld en de ervaringen die tijdens de voorbereiding en realisatie van het project werden opgedaan werden uitvoerig geëvalueerd en verspreid onder de doelgroep. Deze doelgroep, bestaande uit alle betrokkenen bij de woningbouw in Nederland, kon op locatie de milieu-innovaties bekijken en met collega’s (architecten, gemeenten, projectontwikkelaars, corporaties etcetera) uitvoerig van gedachten wisselen over het nut en de praktische waarde van de noviteiten. Deze aanpak bleek zijn vruchten af te werpen; Ecolonia heeft voor de bekendheid van het begrip duurzaam bouwen en de concrete vertaling van de theorie naar de praktijk dan ook veel betekend.

Teleurstellend

Bij de ontwikkeling van Ecolonia stond informatieoverdracht bij de rijksoverheid hoog in het vaandel. Dat lijkt echter geheel verleden tijd te zijn. Ecolonia is bijvoorbeeld nooit, ondanks herhaalde verzoeken uit de advieswereld, na enkele jaren bewoning geëvalueerd. En uit het beleidsprogramma ‘duurzaam bouwen 2000-2004’ blijkt dat voor de evaluaties van demonstratieprojecten en de daaraan gekoppelde informatieoverdracht niet of nauwelijks geld beschikbaar is. Een teleurstellende constatering, te meer daar uit mijn onderzoek blijkt dat voor een succesvolle introductie van milieu-innovatie in de woningbouw evaluaties van projecten en een zeer zorgvuldige organisatie van de informatieoverdracht belangrijke voorwaarden vormen. Dit onderzoek, dat van 1996 tot 2000 werd uitgevoerd aan de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit van Delft, had tot doel na te gaan hoe de verspreiding van milieumaatregelen in de woningbouw kan worden bevorderd. Eerst werd getracht alle factoren in beeld te brengen die van invloed kunnen zijn op deze verspreiding en vervolgens werd onderzocht welke van deze factoren van doorslaggevende invloed zijn. Dit om vast te stellen waar de inspanningen voor duurzaam bouwen zich op zouden moeten concentreren. De onderzoeksresultaten tonen aan dat er vijf cruciale factoren zijn die bepalen of een milieu-innovatie kans heeft het stadium van de demonstratieprojecten te overstijgen om gemeengoed te worden in de reguliere woningbouw.

Slecht imago gevaar

Ten eerste moet de milieumaatregel meer voordelen hebben dan alleen milieuvoordelen. Hij moet bijvoorbeeld esthetisch aantrekkelijk zijn, comfortverhogend, flexibel, niet te ingewikkeld en vooral niet te duur. Ten tweede is het belangrijk dat het demonstratieproject waarin de maatregel wordt uitgetest een succes is. Want wanneer dat niet het geval is krijgt de maatregel meteen een slechte naam en het duurt tijden om van een dergelijk slecht imago af te komen. Energiebesparende maatregelen in de bestaande woningbouw worden bijvoorbeeld nog steeds geassocieerd met vochtproblemen terwijl dergelijke problemen zich twintig jaar geleden voordeden en de afgelopen vijftien jaar niet of nauwelijks meer. Het blijkt overigens dat het slagen van een demonstratieproject niet zozeer afhangt van de technische kwaliteit van de maatregel. De projectorganisatie blijkt de grootste bottleneck. Nieuwe producten vereisen een andere werkwijze dan gewoonlijk en die aanpassing in werkwijze levert in de praktijk de meeste problemen op. Het promotieonderzoek leidde dan ook tot een aantal concrete aanbevelingen voor de organisatie van demonstratieprojecten. Ten derde blijkt de overheid een invloedrijke factor. Niet alleen vanwege de subsidies die worden verstrekt en de regelgeving die door de overheid wordt vastgesteld maar ook door het vastleggen van een duidelijk lange termijnbeleid en een vertaling daarvan voor de korte en middellange termijn. Dit laatste prikkelt de industrie tot de ontwikkeling van nieuw technieken en producten. De vierde factor wordt gevormd door de organisatie van de informatieoverdracht. Die dient gebaseerd te zijn op projectevaluaties. En de vijfde factor tenslotte is een lastige; het betreft externe factoren die wel van grote invloed zijn maar waarop op nationaal niveau niet of nauwelijks invloed is uit te oefenen. Denk aan de energiecrisis van 1973; zonder het dichtdraaien van de olietoevoer was energiebesparing nooit zo hoog op de agenda gekomen als nu al jaren het geval is. Ook de overstromingen in Vlaanderen vormen een goed voorbeeld van een externe factor; hergebruik van regenwater krijgt daar sinds twee jaar hoge prioriteit.

Evaluatieplicht

Van al deze factoren lijkt de organisatie van de informatieoverdracht de meest onderschatte te zijn. In Nederland hebben we weliswaar een nationaal duurzaam bouwencentrum maar de financiële mogelijkheden van dit centrum zijn zeer beperkt. Het kan daardoor niet of nauwelijks evaluaties laten uitvoeren. Het is bovendien de vraag of die mogelijkheden niet nog verder worden teruggedrongen nu in het beleid van staatssecretaris Remkes het begrip ‘marktwerking’ een bijna heilige term begint te worden. De praktijk in Nederland, en in de zeven andere Europese landen waarop het onderzoek zich richtte, wijst namelijk uit dat van marktwerking op dit terrein geen sprake zal zijn. De bouwbranche vraagt niet uit zichzelf om evaluaties. Simpelweg omdat deze branche tot doel heeft bouwwerken te realiseren. Evalueren van milieuprojecten is een taak van de overheid omdat die zich tot doel heeft gesteld de milieubelasting als gevolg van bouwactiviteiten te verlagen. De bouwbranche wil dat laatste ook wel, maar vooral als direct gevolg van het overheidsbeleid. In Denemarken, waar tot voor kort de situatie vergelijkbaar was met die in Nederland, is een kentering waarneembaar. De overheid is in dat land zeer scheutig met subsidies voor duurzaam bouwenprojecten maar heeft sinds kort aan die subsidies een evaluatieverplichting gekoppeld. De bedoeling is dat als gevolg van deze verplichting alle projecten op vergelijkbare wijze geëvalueerd zullen worden. Hierdoor wordt het mogelijk veel praktijkkennis te ontwikkelen die vervolgens of door de overheid of door het Deense voorlichtingscentrum duurzaam bouwen naar de diverse doelgroepen zal worden overgebracht. Ook in Duitsland zijn sterke staaltjes te zien van het effect van evaluaties en een grondige aanpak van de informatieoverdracht. Het concept Passivhaus, een woning zonder verwarmingsinstallatie, nam daar een grote vlucht dankzij het zogenaamde Passivhaüser Institute. Een instituut dat op basis van identieke evaluaties certificaten verstrekt aan Passivhaüser, die vervolgens op basis van die certificaten voor een gunstige financieringsregeling in aanmerking komen. Bovendien verzorgt het instituut zeer gedetailleerde voorlichtingsbijeenkomsten, afgestemd op de vragen van de diverse doelgroepen, en verspreidt het publicaties over het concept. Deze aanpak heeft er toe geleid dat de Passivhaüser, ondanks de hogere kosten en praktische beperkingen die het concept met zich mee kan brengen, een grote vlucht heeft genomen. Ook in Oostenrijk wordt dit type woningen op steeds grotere schaal gerealiseerd. In Nederland is kort geleden eveneens een Passief huis opgeleverd in Dalem bij Gorinchem, op initiatief van Stichting Passief Huis Holland.

Kort dag

De Nederlandse overheid geeft aan duurzaam bouwen nog steeds hoge prioriteit. Het is, volgens het eerder genoemde beleidsprogramma, zelfs de bedoeling dat over minder dan vier jaar duurzaam bouwen gemeengoed zal zijn. De markt moet het dan gaan oppakken. Wanneer het de overheid ernst is met die doelstelling, is het van het allergrootste belang dat die markt tegen die tijd over voldoende motivatie en informatie beschikt. Meer budget en aandacht voor evaluaties en informatieoverdracht is hiertoe een vereiste. Er is nog tijd, hoewel kort dag, om het actieprogramma in het beleidsplan op dit punt aan te passen.

Sterke staaltjes hoe het moet in Duitsland en Denemarken

Reageer op dit artikel