nieuws

De waarschuwingsplicht van de aannemer

bouwbreed

In bouwgeschillen gaat het vaak om de vraag welke partij in het bouwproces, de opdrachtgever en diens architect dan wel de aannemer, aansprakelijk is voor een bepaald gebrek in het betreffende bouwwerk. Deze vraag lijkt op het eerste gezicht simpel te beantwoorden. Immers, voor een gebrek in een bouwwerk zijn in beginsel slechts twee mogelijke oorzaken aan te wijzen: ófwel is sprake van een fout in het ontwerp, ófwel is sprake van een fout in de uitvoering van een op zichzelf deugdelijk ontwerp.

Kan worden vastgesteld dat er sprake is van een uitvoeringsfout, dan hangt de aannemer voor de schade. Is een ontwerpfout de boosdoener, dan moet de opdrachtgever zijn architect (indien aanwezig) aanspreken, en gaat de aannemer vrijuit. Zo bezien, is de toedeling van schade in een bouwgeschil zo eenvoudig, dat aan dit toedelingsvraagstuk nauwelijks plezier kan worden beleefd, althans niet door een bouwrechtjurist. Wij introduceren in de casus daarom een ‘maar’: maar wat nu indien het voor de aannemer vooraf duidelijk was, of duidelijk had moeten zijn, dat er sprake was van een ontwerpfout of een onuitvoerbare opdracht, en de aannemer zijn opdrachtgever of diens architect daarvoor niet heeft gewaarschuwd?

Botsing

In dat geval is tóch de aannemer aansprakelijk, bepaalt paragraaf 6.14 UAV 1989 (de algemene voorwaarden die vaak in een aannemingsovereenkomst van toepassing worden verklaard), vanwege het verzuim van zijn waarschuwingsplicht. Moet een schade die is ontstaan door een ontwerpfout, waarvoor een aannemer ten onrechte niet heeft gewaarschuwd, dan niet op zijn minst op een bepaalde manier worden gedeeld tussen de architect die de fout heeft gemaakt en de aannemer die heeft verzuimd ervoor te waarschuwen? Neen, aldus de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, de instantie die geschillen op basis van de UAV 1989 beslecht, in een consistente reeks van uitspraken waarin sprake was van een ‘botsing’ tussen een ontwerpfout aan de zijde van de opdrachtgever en een verzuimde waarschuwingsplicht aan de zijde van de aannemer. In die situatie laat de Raad van Arbitrage de ontstane schade in de regel geheel voor rekening van de aannemer komen. Op deze praktijk van de Raad bestaat al geruime tijd kritiek, niet in de laatste plaats omdat rechters in de ons omringende landen in dergelijke situaties de schade vaak verdelen tussen de falende ontwerper enerzijds en de niet- waarschuwende aannemer anderzijds. Ook ons hoogste nationale rechtscollege, de Hoge Raad, lijkt blijkens een arrest d.d. 18 september 1998 (NJ 1998, 818) meer te voelen voor een billijke verdeling van de pijn in een situatie waarin de strijdende partijen beiden aan het ontstaan van de schade een bijdrage hebben geleverd. De Hoge Raad overwoog in deze kwestie in de eerste plaats dat de enkele omstandigheid dat de opdrachtgever terzake deskundig is, de aannemer nog niet ontslaat van zijn waarschuwingsplicht, maar wél aanleiding kan geven tot een verdeling van de schade op grond van het zogenoemde ‘eigen schuld’- beginsel (artikel 6:101 BW). Deze benadering leidt mijns inziens tot meer evenwichtige uitkomsten: het ontstaan van een schade als gevolg van een ontwerpfout, waarvoor (mogelijk ten onrechte) niet is gewaarschuwd door de aannemer, heeft primair toch altijd nog zijn oorsprong in een verzuim van de ontwerper (en pas – eventueel – secundair in een verzuim tot waarschuwen door de aannemer). Toch valt op de overwegingen van de Hoge Raad in voormeld arrest óók het nodige aan te merken. De Hoge Raad overweegt namelijk verder – heel algemeen – dat op de aannemer de verplichting rust de opdrachtgever tijdig te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht, die hij kent of behoort te kennen. Deze omschrijving van de waarschuwingsplicht van de aannemer is ruim.

Onvoorspelbaar

Onjuistheden in de opdracht kunnen afkomstig zijn van de opdrachtgever (of diens architect), en dan moet de aannemer daartegen uiteraard waarschuwen (indien hij deze onjuistheden kent). Maar dergelijke onjuistheden kunnen ook afkomstig zijn van de aannemer zèlf, nu aannemers tegenwoordig steeds meer bemoeienis hebben met de ontwerpen van hun opdrachtgevers. Uiteraard is het onlogisch om de aannemer te verplichten om zijn opdrachtgever te waarschuwen tegen foute ontwerp- adviezen die de aannemer zèlf geeft. In die situatie schiet de aannemer gewoon tekort in zijn primaire plicht jegens zijn opdrachtgever, niet in een eventuele secundaire waarschuwingsplicht, zoals de Hoge Raad – waarschijnlijk onbedoeld – veronderstelt. Kortom: het fenomeen waarschuwingsplicht zal voorlopig nog wel een onvoorspelbare factor blijven in de uitkomst van bouwgeschillen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels