nieuws

Vakopleiding financieel zinloos

bouwbreed

Bouwvakkers die een vakopleiding afronden, verdienen nauwelijks meer dan hun collega’s die dat niet doen. Het nettoloon van een bouwvakker met afgeronde vakscholing bedroeg in 1999 gemiddeld 658 gulden per week, terwijl zijn collega zonder deze opleiding gemiddeld 654 gulden per week verdiende.

Met andere woorden: wie na het afronden van zijn opleiding Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs (VMBO) gemiddeld 24 maanden investeert in een vakopleiding, heeft daarna per jaar slechts tweehonderd gulden meer te besteden dan iemand die de schoolbanken voor gezien hield. Dat blijkt uit het rapport ‘De bouwwerknemer van de jaren negentig’, dat het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid(EIB) heeft uitgebracht. Ook vanwege de vooruitzichten is het volgen van een vakopleiding een weinig zinvolle bezigheid. Volgens het EIB is het gemiddelde salaris van bouwvakkers met zo’n opleiding tussen 1990 en 1999 met 0,7 procent meer gestegen dan van hun collega’s die zich niet verder lieten scholen. Ondanks dat het volgen van een vakopleiding financieel dus nauwelijks aantrekkelijk is, daalt het aantal bouwvakkers zonder vakgerichte scholing. “Terwijl begin jaren negentig nog ruim tweederde van het bouwplaatspersoneel geen vakopleiding heeft voltooid, is dit aandeel eind jaren negentig gedaald tot net boven de helft van de werknemers”, aldus het rapport. Het aantal bouwvakkers met een primaire oftewel basisvakopleiding, groeide tussen 1990 en 1999 van minder dan een kwart naar eenderde. Ook de voortgezette (secundaire) opleidingen stegen in populariteit. In 1990 had 9 procent van de bouwvakkers zo’n opleiding afgerond en in 1999 was dit 13 procent. Timmerlieden en metselaars volgen het vaakst opleidingen. Verder blijkt uit het rapport dat ongeveer tweederde van de bouwvakkers op hun salaris een toeslag krijgt van gemiddeld 13 procent. Het gaat hierbij om loontoeslag, kledinggeld en gereedschapstoeslag. Het extraatje is niet afhankelijk van de gevolgde opleiding. Overwerken komt in de bouw relatief weinig voor. In de sector grond-, weg- en waterbouw wordt gemiddeld acht uur per week overgewerkt en in de burgelijke en utiliteitsbouw ligt het gemiddelde op vijf uur per week. “In beide sectoren lijken de gemiddelden in vergelijking met het begin van de jaren negentig wat te zijn gedaald”, aldus het EIB. “Het gemiddeld aantal overwerkuren was toen tien, respectievelijk acht uur per week.” Werkomstandigheden Bijna de helft van de bouwvakkers (49 procent) constateert dat de arbeidsomstandigheden tussen 1990 en 1999 niet verbeterden, 42 procent vindt dat het er wel beter op werd en de rest spreekt van een verslechtering. Deze cijfers zijn, aldus het EIB, representatief voor timmerlieden, metselaars en ‘minder geschoolden’. Ondanks het hoge aantal werknemers dat opmerkt dat hun werkplek er in tien jaar tijd niet op vooruitging, deelt het EIB een pluim uit aan de bouw: ‘De grote aandacht voor werkomstandigheden heeft, met andere woorden, haar vruchten afgeworpen.’ De organisatie leidt dit af uit het gegeven dat begin jaren negentig de ontevredenheid nog groter was. Slechts een kwart van de bouwvakkers vond destijds dat hun arbeidsomstandigheden verbeterden. Terwijl tweederde meende dat deze gelijk bleven.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels