nieuws

Rechter spreekt laatste woord over welstand

bouwbreed

Is een bouwplan afgewezen op welstandsgronden, dan kan de indiener zijn gram proberen te halen bij de rechter. Daar kan hij succes mee boeken, blijkt uit jurisprudentie.

Wie daaraan begint moet echter wel een lange adem hebben. Wordt een bouwvergunning geweigerd omdat de welstandscommissie en in haar voetspoor B en W dwarsliggen, dan kan bezwaar worden aangetekend bij B en W. Wijzen zij ook dat af, dan staat de weg naar de rechter open. Of die weg kansrijk is, is de vraag. De bestuursrechter zit met een probleem: evenmin als B en W weet hij veel van welstand. Bovendien is hij niet aangesteld om het werk van B en W nog eens over te doen. Hij zal zich er dan ook toe beperken afstandelijk te bezien of wat er gepasseerd is allemaal wel in de haak was. Soms valt er voor de burger winst te behalen, omdat het weigeringsbesluit niet op een correcte manier is genomen. De wet eist bijvoorbeeld dat bestuursbesluiten deugdelijk gemotiveerd worden. Als de welstandscommissie en/of B en W zich daar te gemakkelijk van hebben afgemaakt kan het besluit door de rechter vernietigd worden.

Tegenadvies

Het is nog maar de vraag of de appellant daar uiteindelijk veel wijzer van wordt. Als B&W hetzelfde besluit opnieuw nemen, maar nu goed gemotiveerd, staat hij uiteindelijk toch met lege handen. Met de inhoud van het besluit ligt het nog moeilijker. Het heeft geen zin om bij de rechter aan te komen met de klacht dat het advies van de welstandscommissie ten onrechte negatief was, omdat het ingediende bouwplan eigenlijk toch zo prachtig is. Dat zal hij kort afdoen met een opmerking in de zin van ‘appellant heeft de inhoud van het welstandsadvies niet bestreden door overleg van een deskundig tegenadvies’. Protest over de inhoud van het weigeringsbesluit heeft alleen zin als deskundigheid met deskundigheid wordt bestreden, wat overigens niet wil zeggen dat succes dan verzekerd is.

Afbakenen

De rechter heeft wat betreft de inhoud van het welstandsoordeel eigenlijk nooit veel meer gedaan dan het afbakenen van de bevoegdheden van de welstandscommissie. Als bijvoorbeeld een bestemmingsplan duidelijk aangeeft wat men mag bouwen, is het volgens hem niet de bedoeling dat de commissie die mogelijkheid afsnijdt door te oordelen dat dat op welstandsgronden niet zou kunnen. Het welstandsoordeel dat in een historische stadskern geen namaak- historisch (of juist geen ultramodern) gebouw kan worden getolereerd, zal, als het bestemmingsplan dat wèl toelaat, waarschijnlijk evenmin door de rechterlijke beugel kunnen. Wie een mooi (onbeschermd) huis wil slopen om er een minder mooi voor in de plaats te bouwen, staat waarschijnlijk ook in zijn recht, omdat naar het oordeel van de rechter “het welstandstoezicht niet strekt tot behoud van het bestaande”. En wie het gewenste klassieke tempelfront van zijn woning door de welstandscommissie afgekeurd ziet “omdat de gevel geen associaties oproept met de functie van het gebouw”, maakt ook goede kans bij de rechter, omdat de commissie alleen maar mag beoordelen of zo’n tempelfront voldoet aan redelijke eisen van welstand. Wie zich, tenslotte, door de welstandscommissie op kosten gejaagd voelt omdat de daar aangedragen oplossing erg duur is, moet zich realiseren dat dat wel meegewogen mag worden, maar dat uiteindelijk het oordeel over de aanvaardbaarheid van het uiterlijk van het bouwwerk voor de rechter van “overwegende betekenis” is.

Bont

Maar wat nu, als het bouwwerk nergens vanaf de openbare weg zichtbaar is, bijvoorbeeld als het verscholen ligt in een duinpan? Dan immers heeft alleen de bouwer zèlf last van de gebouwde lelijkheid. In zo’n zaak heeft de rechter eens uitgesproken dat er voor weigering een “op brede basis bestaande overeenstemming met betrekking tot de esthetisch bouwkundige onaanvaardbaarheid” van het bouwplan moet zijn. Met andere woorden: de bouwer moet het wel heel erg bont maken wil hij in zo’n geval op welstandsgronden afgerekend kunnen worden.

Schade

Welstandsoordelen kunnen tot schade leiden en een gekrenkte bouwer zal wel eens behoefte voelen die schade op de gemeente te verhalen. De kans dat dat lukt is niet erg groot. In 1980 formuleerde de hoogste bestuursrechter het gewicht van het welstandsbesluit van B en W als volgt: “Het oordeel van B en W omtrent het uiterlijk van een bouwwerk kan de Afdeling (de toenmalige Afdeling Rechtspraak van de Raad van State – P.J.) alleen dàn niet eerbiedigen, indien zou blijken dat het welstandsadvies op kennelijk onredelijke wijze of anderszins in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen en dit desgelijks het geval is met de bestreden beslissing.” Met andere woorden: de welstandscommissie moet zijn boekje zwaar te buiten zijn gegaan en B en W moeten dat vervolgens nog eens dunnetjes hebben overgedaan. Er is overigens een geval bekend waarin dat gebeurd is. Het speelde zich af in Zevenaar. De welstandscommissie had in 1972 bij de beoordeling van een ontwerp voor een witlofkwekerij, die daar volgens het bestemmingsplan gebouwd mocht worden, afkeurend geoordeeld over vormgeving en materiaalkeuze. Bovendien zou het ontwerp niet in zijn omgeving passen. Het gemeentebestuur nam het advies welbewust over, hoewel in de raadsvergadering door een raadslid werd gewaarschuwd dat het niet in de haak was. De Kroon constateerde dat de welstandsgronden waren gebruikt als stok om de hond te slaan – men wilde het gebouw eenvoudig niet – en vernietigde het besluit. De daarop ingezette actie tot schadevergoeding sleepte zich voort totdat de Hoge Raad er in 1981 (!) mee instemde. Door de gewijzigde regelgeving zal het tegenwoordig wel wat sneller gaan, maar wie zich in een dergelijk ongewis avontuur wil storten moet wel een lange adem hebben.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels