nieuws

Les uit ramp met tunnelbouw: verhoog de veiligheidsmarges

bouwbreed

Het proces van jet-grouten leidt niet op alle bewerkte plaatsen tot een homogene, met cement vermengde, massa in de ondergrond. Vanwege die inhomogeniteit van de bewerkte ondergrond wisselt de druksterkte van het gegroute lichaam. Omdat de betrouwbaarheid daarvan in het geding is moeten bij de vaststelling van de toelaatbare belasting en de waterdichtheid hoge veiligheidsmarges worden aangehouden.

Dat is de les die drie arbiters van de Raad voorhouden aan de bedrijven, die voor een niet nader genoemde gemeente een tunnel moesten aanleggen. De eigenlijke tunnelbouwer had aan een ander bedrijf het aanbrengen van twee zogenaamde HDI-dichtblokken opgedragen. Dat diende te gebeuren door middel van jetgrouten, één blok in de startschacht en het andere in de ontvangstschacht. Met die voorgeschreven techniek werd in de ondergond op 19,5 meter onder NAP het eerste dichtblok van 10,8 x 10,4 x 10,0 meter aangebrach. De bovenkant ervan bleef nog 9,5 meter onder dat peil. In dat dichtblok diende een uitholling, een zogenaamde caverne, te worden gemaakt van waaruit de boorkop met het boren van de tunnel in de slappe grond zou kunnen beginnen. Met het freeswerk werd in de nacht van 10 op 11 maart 1998 begonnen op ongeveer 1,80 meter van de onderkant van het blok, daar waar het laagste punt van de caverne moest komen. Op dàt punt bezweek de caverne, waardoor water en grond in het dichtblok stroomden. Voor de hoofdaannemer was dat de reden om de hele startschacht met al het zich erin bevindende materieel onder water te zetten.

Niet-waterdicht

Over de vraag wie aansprakelijk was voor de schade, die deze bouwramp veroorzaakte is een procedure voor de Raad van Arbitrage gevoerd. Die werd daarvoor zwaar bemand: een jurist en twee ingenieurs werden aangewezen om op die vraag een antwoord te geven. De Raad ging er van uit dat het niet-waterdicht zijn van het dichtblok aan tekortkomingen in zowel het ontwerp als in de uitvoering van het dichtblok te wijten was. Zij achtte het zeer waarschijnlijk dat zonder een van deze tekortkomingen de calamiteit niet plaats gevonden zou hebben. Voor wat de ontwerp-fout betreft kwamen de arbiters tot de conclusie dat de hoofdaannemer “het aanzienlijke verwijt” trof dat hij zich onvoldoende rekenschap had gegeven dat zijn ontwerp een risico droeg, dat uitging boven de veiligheidsmarges die aangehouden dienden te worden. Zij vonden dat een wat grotere dimensionering van het dichtblok aan de onderkant vrij gemakkelijk te realiseren zou zijn geweest, zoals dat wel op de hoogste plaats van de caverne was gebeurd. In dat geval was de kans dat het jetgroutlichaam wel voldoende druksterk en waterdicht zou zijn geweest, zo groot dat het voorval zich naar alle waarschijnlijkheid niet zou hebben voorgedaan.

Druksterkte-eis

Maar als de fout al zat in het ontwerp dat aan de uitvoerder was voorgeschreven, wat was dan aan hem te verwijten? Uit het feit dat het dichtblok aan de onderkant bezweken was, leidden de arbiters af dat de samenstelling van het groutlichaam een te weinig homogene samenstelling had, zodat bij lange na niet gekomen werd tot de voorgeschreven druksterkte-eis. De juiste uitvoeringsgegevens voor zo’n ondergronds jetgrout-proces zijn daarvoor nu eenmaal essentieel. Uit de manier waarop de caverne was bezweken leidden de arbiters af, dat de bij de uitvoering gehanteerde gegevens niet voldoende waren voor het bereiken van een voldoende druksterkte in kleigrond. Eerdere grondboringen hadden immers al uitgewezen dat zich, net op de plaats waar de onderkant van het dichtblok moest komen, een kleilaag bevond. Omdat de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van de uitvoerings-parameters lag bij het bedrijf dat de dichtblokken had gemaakt, was dat daarom ook aansprakelijk. Bovendien had het zich niet gehouden aan het door hem zelf opgestelde werk- en keuringsplan omdat het geen toereikende registratie had uitgevoerd. Zou het dat wel hebben gedaan dan had het bedrijf, dat de tunnelbouw had aangenomen, de werkwijze nog kunnen aanpassen.

Grove schuld

Nu beide aannemers aansprakelijk waren voor de schade diende dus de vraag aan de orde te komen welk deel ervan elke partij diende te dragen. De bouwer van het dichtblok beriep zich voordat die vraag was beantwoord op de van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden, waarin een aansprakelijkheidsbeperking tot 500.000 gulden is opgenomen. Nu er geen sprake was van opzet of grove schuld aan zijn kant mocht hij dat van de Raad doen, anders dan de tunnelbouwer vond. Die betoogde dat het beroep op die beperking in strijd met de redelijkheid en billijkheid was, een norm die in een dergelijke geval wel vaker door de Raad wordt gehanteerd. Maar dat deed zij toen, net zoals nu, alleen als er zo’n grote mate van schuld was, dat een beroep op die bepaling in de A.V. in strijd met dit rechtsbeginsel zou komen. De Raad legde die bepaling in dit geval zo uit, dat de partij, die de herstelwerkzaamheden voor bijna 1,1 miljoen gulden had verricht, daarvan niet meer dan het halve miljoen voor haar rekening hoefde te houden. Het verschil tussen die schade van 1,1 miljoen en het beperkte aansprakelijkheidsbedrag van een half miljoen werd door de Raad voor rekening van de andere partij gebracht. Zij onthield zich daarbij van een uitspraak over de mate van schuld, die elk der partijen had aan de schade. Dat zou m.i. wel nodig zijn geweest omdat – als de mate van schuld van de maker van het dichtblok wat kleiner was geweest dan die van de andere partij in het proces – hij voor minder dan een half miljoen veroordeeld had kunnen worden. Dan zou dit bedrag van zijn aansprakelijkheidsbeperking ook geen enkele rol hebben gespeeld in deze uitspraak van de Raad.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels