nieuws

Planologische schaduwschade

bouwbreed

Planschade is schade die geleden wordt als gevolg van bepalingen van een bestemmingsplan. Op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt die schade vergoed als zij tenminste niet redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van de belanghebbende behoort te blijven. Krachtens die bepaling worden jaarlijks vele miljoenen uitgegeven voor de aanleg van openbare voorzieningen. Er zit echter een addertje onder het gras.

In 1994 heeft de Raad van State beslist, dat het recht op schadevergoeding pas ontstaat zodra het bestemmingsplan onaantastbaar is geworden. Niet alleen moet het plan eerst door Gedeputeerde Staten zijn goedgekeurd, ook als er nog een beroeps- of bezwaarprocedure loopt heeft de gedupeerde dus nog geen recht op schadevergoeding. Toch kan hij als gevolg van een door de gemeenteraad al vastgesteld plan aanzienlijke schade lijden. Denk maar eens aan de man die zijn huis verkoopt aan iemand die zo slim is geweest om op het gemeentehuis te informeren naar de plannen die men daar heeft met het gebied waarin het huis ligt. Als hij dan hoort dat de gemeente heeft besloten om het park, waarop het huis uitziet, te vervangen door een nieuwe woonwijk, zal hij dat nadeel in zijn koopprijs willen verdisconteren. De eigenaar/verkoper kan de verminderde waarde van zijn huis echter niet bij de gemeente claimen als de eigendomsoverdracht plaats vindt voordat het plan onaantastbaar is geworden. In zo’n geval spreken we van ‘schaduwschade’: tengevolge van een nog niet onaantastbaar (bestemmings)plan treedt er al schade op. Een fraai voorbeeld van zo’n plan, dat schaduwschade veroorzaakt, is het Tracé-besluit Betuweroute. De aanleg van de omstreden spoorbaan maakt ook een aanpassing van de A15 en een groot aantal provinciale en gemeentelijke wegen noodzakelijk. Mede daarom is een speciale Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute (N.B.) gemaakt nadat de beide betrokken ministers hadden erkend dat het Tracébesluit een schadetoebrengend besluit is. In die Regeling N.B. wordt ook de vergoeding van schade als gevolg van een gewijzigd bestemmingsplan mogelijk gemaakt en wel zo, dat planschade eerder dan op grond van artikel 49 Wet R.O. vergoed kan worden. Het wil dus zeggen, dat Betuweroute-gedupeerden in dat opzicht sterker staan dan zij, die voor een vergoeding van planschade op artikel 49 aangewezen zijn. Op grond van de Regeling N.B. kunnen belanghebbenden al met succes in een eerder stadium een verzoek om schadevergoeding indienen.

Rechtskracht

Niet iedereen die schaduwschade lijdt komt voor schadevergoeding in aanmerking. Dat is vorig jaar weer eens gebleken. Iemand had zijn huis in Stellendam verkocht. Het bestemmingsplan Stellendam-Zuid, waardoor de waarde ervan was gedaald, was toen nog niet onaantastbaar. Vijf jaar eerder had de Afdeling van de Raad van State, die zulke zaken in hoogste instantie behandelt, al uitgesproken dat artikel 49 Wet R.O. alleen een basis is voor vergoeding van planschade nadat het betreffende plan in rechte onaantastbaar is geworden. De rechtbank, die het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding door de gemeenteraad had behandeld, grondde zijn afwijzing op het feit dat de schade geen schade was als gevolg van een bestemmingsplan. Toen het verzoek werd ingediend was het bestemmingsplan wel al vastgesteld, maar het had nog geen “rechtskracht” omdat het nog niet door de provincie was goedgekeurd. Heel opvallend gebruikt de Raad van State in het Stellendamse geval een andere term dan “onaantastbaar”. Dat is wezenlijk iets anders dan “rechtskracht”. Een al door G.S. goedgekeurd bestemmingsplan kan immers gedurende de wettelijke bezwaar- en beroepstermijn nog aangevallen worden. En na het verstrijken van die termijnen is zo’n plan zelfs nog niet onaantastbaar zolang de rechter nog geen beslissing heeft genomen. Dat zo iets jaren kan duren is algemeen bekend. Het maakt dus nog al wat uit of het moment, waarop een verzoek tot vergoeding van planschade gedaan kan worden, bepaald wordt door het tijdstip waarop het plan “rechtskracht” verkrijgt of “onaantastbaar” is geworden. In het laatste geval zou de huizenverkoper dus jarenlang moeten wachten voordat hij het eigendom van zijn huis kan overdragen om zijn recht op planschadevergoeding niet te verspelen. Dat is toch eigenlijk te gek voor woorden, vooral als de eigenaar zelf geen enkele invloed heeft gehad op het ontstaan van die vertraging. De feitelijke oorzaak van de schade ligt ook helemaal niet in de juridische status van een bestemmingsplan. De feitelijke kennisname van de planologische bedoelingen van de gemeente zijn beslissend voor de vraag of het het huis door die in het plan verwoorde bedoelingen minder waard is geworden. Achteraf, als de provincie of de beroepsinstantie het plan niet goedkeurt respectievelijk vernietigt, blijkt het huis weliswaar niet minder waard geworden te zijn, maar daar schiet de verkoper niets mee op. De drie juristen van de Raad van State, die de afwijzing van het ingestelde hoger beroep voor hun rekening moesten nemen, zagen zelf ook wel in dat hier iets onbillijks aan de hand was. Maar dat konden zij niet verhelpen; het is de wetgever die hier door wetswijziging verandering in dient te brengen, zo gaven zij in hun uitspraak onomwonden aan. Het niet-vergoeden van ‘schaduwschade’ kan immers vaak als onbillijk worden aangemerkt.

(BR. 2000 p. 56)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels