nieuws

‘Brilliant Orange’

bouwbreed Premium

Architectuur en voetbal hebben niets met elkaar te maken. Dat beweert architect Lars Spuybroek tenminste in ‘Brilliant Orange, the neurotic genius of dutch football’, één van de leukste boeken die ik de laatste tijd heb gelezen.

Auteur David Winner, Brits journalist en bewonderaar van het Nederlandse voetbal, is het duidelijk niet met Spuybroek eens. In een onderhoudend geschreven analyse van het Nederlandse voetbal van de laatste decennia, legt Winner keer op keer verbanden met de Nederlandse cultuur en historie. De nadruk ligt daarbij op de ruimtelijke ordening en architectuur. Winner sprak niet alleen met voetbalkenners, maar ook met een groot aantal cultuurdragers en met name architecten. Het verband dat hij legt tussen onze ruimtelijke ordeningstraditie – het creëren van ruimte in een overbevolkt land – en de manier waarop het Nederlandse voetbal ‘ruimte maakt’ op het veld klinkt overtuigend. Je hebt kennelijk een buitenlander nodig om te beseffen dat termen als ‘ruimte maken’ en ‘in de ruimte spelen’ typisch Nederlandse voetbaltermen zijn. ‘Holland schept ruimte’, het thema van de ‘winnende’ inzending voor Expo 2000 van MVRDV is zo gezien nog een revanche voor het echec van Euro 2000. De doodsdrift die het Nederlands elftal keer op keer tentoonspreidt en die in het boek eveneens aan de orde komt, kon zes weken na het verschijnen van het boek overigens niet beter worden geïllustreerd dan in de wedstrijd Italië – Nederland. Beeldend kunstenaar Jeroen Henneman wijst op de schoonheid van boogballen boven het veld, een derde dimensie in het spel die wellicht minder verband houdt met de platte ruimtelijke ordening, maar die voor Winner aanleiding is om Spuybroek naar zijn voorliefde voor curves te vragen.

Na de eerder genoemde ontkenning van enige relatie tussen

architectuur en voetbal bekent Spuybroek overigens dat hij als keeper vooral geïnteresseerd was in het construeren van een zo mooi mogelijke safe. Het boek staat vol van dergelijke korte terzijdes. Zo komt Winner, aanvankelijk tot zijn verwondering, telkens diagrammen tekenende trainers tegen – ‘In the end I’ve learned to love them’. Als lezer ben je inmiddels zo ingevoerd in de automatische associatie met architectuur, dat een referentie naar de diagramcultuur van de jongste generatie architecten zich vanzelf aandient. Terecht situeert Winner het hoogtepunt van het Nederlandse voetbal in de periode eind jaren zestig, begin zeventig. De verbanden die hij legt tussen het Totaalvoetbal van die jaren en bijvoorbeeld Total Design (Crouwel) en Totale Architectuur (Bakema) liggen minder voor de hand.

De tweede bloeiperiode, het voetbal van Ajax in de jaren negentig,

waarbij Louis van Gaal de individuele speler ondergeschikt maakte aan het systeem, wordt overtuigender vergeleken met de werkwijze van Benthem & Crouwel bij de bouw van Schiphol. Deze ‘Houdinis van de polder’ organiseren ‘op een steenworp afstand van de Arena’ in de eerste plaats een proces, een flexibel systeem dat soepel kan reageren op ‘gaten in de verdediging’. Zoals de Ajax-machine van Van Gaal al balcirculerend loerde op ‘mogelijkheden’ die de tegenstander openliet, zo reageert de ontwerpmachine van Benthem & Crouwel soepel op de complexe en snel wisselende omstandigheden die zich bij een dergelijke grote, langdurige opgave voordoen. De held van het boek is Johan Cruyff, architect van het totaalvoetbal, propagandist van de balans tussen individuele klasse en het collectieve systeem, (daarom) criticus van het systeemvoetbal in het algemeen en Van Gaal in het bijzonder, maar vooral een ster. En daar gaat de vergelijking met architectuur mank; Winner vindt geen vergelijkbare held onder de architecten. En dat terwijl Rem Koolhaas – opmerkelijke afwezige in het boek, slechts één referentie – een voor de hand liggende kandidaat is. Hij is van dezelfde generatie als Cruyff, propageert teamwork, maar doet dat net als Cruyff eigenlijk om ruimte te maken voor de (eigen) individuele klasse als speler, zag eerder dan Benthem & Crouwel in dat de ‘helse complexiteit’ van een grote bouwopgave (Lille) niet bestreden moet worden, maar juist moet worden uitgebuit en bespeeld en hij bezat – zeker in het begin van zijn loopbaan – eenzelfde doodsdrift als het Nederlands elftal: altijd weer het mooiste ontwerp in een competitie, maar nooit bouwen. Tenslotte steekt Koolhaas Cruyff als orakel bijna naar de kroon. Desondanks ‘a lovely book’ zoals Simon Kuper op de flaptekst schrijft. ‘It may even save the Dutch from losing on penalties all the time’. Dat laatste mochten we toen nog hopen.

Reageer op dit artikel