nieuws

Zuidas wordt superknooppunt van functies

bouwbreed Premium

uiteen. Functiemengingvormt de basis van hoge stedelijke kwaliteit.

De Zuidas van Amsterdam is al een succesvolle locatie voor grote kantoorvestigingen en een demonstratie van de dynamische ontwikkelingen en veranderingen van de stad. In toenemende mate ontstaat er ook een internationaal vestigingsmilieu voor een breed scala van functies. Daarbij speelt de goede bereikbaarheid en de ligging aan bestaande en toekomstige infrastructuur een grote rol. De stedenbouwkundige visie is nog voortdurend in ontwikkeling en de ambities zijn zeer hoog. Het doel is een vitaal, stedelijk gebied te realiseren met diversiteit en menging van functies, perfecte integratie van infrastructuur en openbare ruimte, met sterke werk- en woonfuncties.

Functiemenging

Functiemenging is de historische grondslag van elke stedelijke vestiging, maar het modernistisch adagium van functiescheiding heeft deze kwaliteit ondergraven. Maar functiemenging blijft een belangrijke voorwaarde voor stedelijke kwaliteit: een evenwicht tussen kantoren, winkels, recreatie en wonen in hoge dichtheid draagt bij tot de vitaliteit van stedelijke centra. Door bestaande en toekomstige vormen van infrastructuur kan de Zuidas worden beschouwd als een vervoersknooppunt bij uitstek. Het kan in zekere zin worden vergeleken met de traditionele vestigingsfactoren voor historische steden. Daarbij geldt ook voor de Zuidas dat uitwisseling en interactie van mensen, goederen en geldstromen van cruciaal economisch, maatschappelijk en cultureel belang zijn. Voor een leefbare buurt moet vanaf het begin van de bouwactiviteiten de woonfunctie nadrukkelijk gerealiseerd worden. De onderlinge verhouding tussen de verschillende functies kan zeer uiteenlopend zijn. Het is ook twijfelachtig of er een ideaal verhoudingsgetal voor functiemenging bestaat. Vaak wordt een evenwichtige verhouding tussen wonen en niet-woonfuncties van 50/50 aanbevolen. Maar dat biedt nog geen enkele garantie voor stedelijke kwaliteit. De aard en de ligging van niet-woonfuncties is daarbij van veel groter belang, evenals de zichtbaarheid en toegankelijkheid van met name de woonfuncties. De invulling van de percentages van die functievermenging hoeft dus niet volledig van tevoren te worden vastgelegd. Een zekere vrijheid in functiemix kan het succes eerder vergroten. Zij bevordert niet alleen de motivatie van risicodragende opdrachtgevers, maar houdt ook rekening met conjuncturele ontwikkelingen.

Veiligheid

Mensen die kiezen voor stedelijk wonen, hebben een voorkeur voor echt centrum-stedelijke milieus (rapport Wonen 2030). De groeiende populariteit van het stedelijk wonen heeft met verschillende factoren te maken. De bereikbaarheid en de beschikbaarheid van stedelijke diensten en culturele en recreatieve voorzieningen staan daarin centraal. Maar ook is er behoefte aan ruimtelijke en sociale verscheidenheid en aan een zekere mate van rust en groen in de directe woonomgeving. Een hoge mate van bewoning, als onderdeel van functiemenging, draagt bij aan veiligheid op straat, zowel ’s avonds als overdag. Een gemengd centrumgebied met kantoren, bedrijven, woningen en winkels is essentieel voor kwaliteit en leefbaarheid. Het Zuidasgebied is bij uitstek gericht op een verdere ontwikkeling van een 24-uurseconomie. De internationale betekenis ervan is groot, maar bovendien vragen de hoge prijzen ook om een intensief gebruik in de tijd. Ondersteunende voorzieningen zullen dan ook in toenemende mate 24 uur per etmaal geopend zijn, gericht op een breed publiek van gebruikers en passanten. Het realiseren van ‘kantoren zonder kantines’ bevordert functiemenging door vervangende horecavoorzieningen buiten kantoor- en bedrijfsgebouwen. Tegelijk zou een deel van de diensten en voorzieningen van kantoorgebouwen, die veelal intern gericht zijn (zoals restaurant, vergaderzalen, coffeeshops, reprofaciliteiten, postkamer en kunstcollectie) voor extern publiek toegankelijk kunnen worden gemaakt als nieuwe vorm van bedrijfsgebonden dienstverlening. Hoewel niet alle bedrijfsfilosofieën daarop zijn ingesteld, is het denkbaar deze ontwikkeling te stimuleren. Dat is mogelijk door planologisch vast leggen dan wel als convenant bij gronduitgifte overeen te komen, dat dergelijke servicemogelijkheden op de openbare ruimte georiënteerd moeten worden. Of anders ze te ontwikkelen als bedrijfsonderdelen met een eigen vestiging. Dat kan het imago van het bedrijf ten goede komen, maar vooral de footprint van bedrijfsgebouwen publieksvriendelijker maken.

Het toekomstige station Zuidas kan behalve als een overstapmachine

ook beschouwd worden als een knooppunt van vervoerslijnen en adressen. Omdat mobiliteit bij uitstek alle functies en activiteiten integreert, kunnen het station en zijn directe omgeving veel extra functies in hoge dichtheid opnemen. Het station Zuidas met goede bereikbaarheid voor grote aantallen bezoekers vormt een aantrekkelijke vestigingsplaats voor gemengde functies, zowel bovengronds als ondergrond.

Veranderbaar gebouw Het hybride en veranderbare gebouw kan een belangrijk middel zijn bij het bereiken van duurzame, stedelijke kwaliteit. Het lijkt in eerste instantie paradoxaal iets bestendigs en duurzaams als een gebouw veranderbaar en plooibaar te maken, zeker in het licht van het werken aan een duurzame ontwikkeling van de stad. Het veranderbare gebouw speelt in op verschuivingen in de vraag naar kantoren en woningen of ruimten met een andere invulling. Als een kameleon reageert het op maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Het is moeilijk een accurate, gedetailleerde toekomstvoorspelling te doen voor het grote bouwvolume dat gerealiseerd gaat worden op de Zuidas. Wel staat vast dat de opgave voor de Zuidas bestaat uit het grote, collectieve gebouw, niet uit kleine, individuele gebouwen zoals grachtenpanden.

Grachtengordel

Historische voorbeelden laten zien dat wijzigingen in de programmering van gebouwen tot standkomen op verschillende schaalniveaus en onder verschillende condities. Zo vinden de functieveranderingen in de grachtengordel plaats op kleine schaal en gedurende een lange periode, waardoor een evenwichtige situatie is ontstaan. De bestaande structuur krijgt langzaam een andere invulling op basis van kleine individuele impulsen, waarmee een stabiel, gelaagd en divers stedelijk milieu ontstaat. Zonder al te veel organisatorische en administratieve inspanning moeten initiatieven tot transformatie hun beslag kunnen krijgen. Tot nog toe is het ombouwen van grote gebouwen minstens zo complex als nieuwbouw. In Londen vindt bijvoorbeeld al sinds de jaren zestig op redelijke schaal transformatie van gebouwen plaats, zoals op de South Bank. De fluctuaties in de kantoormarkt geven een soort vast patroon aan. Na ongeveer vijftien jaar worden bepaalde locaties voor kantoren minder aantrekkelijk en is het rendabeler deze te transformeren in woningen. Deze transformatieactiviteiten verspreiden zich als een nomadische vlek over de stad, Wat is nu het duurzame raamwerk dat de ruggegraat van het veranderbare gebouw vormt? Het meest voor de hand liggend is het ontwikkelen van een ‘multipurpose-casco’. Met een slimme interne ontsluiting, een zekere overmaat en een juiste blokdiepte, kan een ‘programmatisch neutrale ruimte’ ontstaan die door de gebruiker van eigen identiteit wordt voorzien. Een ruime verdiepingshoogte maakt het mogelijk naar wens een extra verdieping in te bouwen. Technische ontwikkelingen maken het steeds eenvoudiger flexibel met een veranderende ruimtebehoefte om te gaan. Het optimaal veranderbare gebouw zal niet gebaseerd worden op een universeel systeem maar op een infrastructuur die aan meerdere invullingen ruimte biedt. De hierboven beschreven benaderingen lijken te leiden tot eenvormige oplossingen of een wildgroei aan manifesten van persoonlijke smaak. Maar: wanneer een gebouw als een goed maatpak wordt ontwikkeld, leidt dat juist niet tot starheid en onveranderbaarheid, maar tot versterking van karakter en eigen identiteit. Het geeft een gebied zoveel karakter dat haar imago voor langere tijd aantrekkelijk is. Het gebouw wordt een omhulling van verschillende functies die elkaar door de tijd afwisselen. Afgezien van een kleine facelift is juist het gezicht van het gebouw een constante factor. Voorbeelden van ‘maatpakken’ zijn grachtenpanden, loodsen, pakhuizen en schoolgebouwen. Zij hebben de tand des tijds doorstaan dankzij hun overmaat, slijtvastheid, detaillering, schoonheid, karakter en flexibiliteit. Dit lijken dan ook de noodzakelijke ingrediënten voor een grootschalig nieuwbouwproject als de Zuidas. (wordt vervolgd)

De bouwstijl van Berlage in Amsterdam-Zuid is een van de inspiratiebronnen.

‘Kantoren zonder kantines’ bevorderen functiemenging

Veranderbaar gebouw ontwikkelen als een goed maatpak

Reageer op dit artikel