nieuws

stabiel in structuur, veranderbaar in gebruik

bouwbreed Premium

In zijn Nota wonen stelt staatssecretaris Remkes, terecht, de burger centraal. Te lang zijn we in de volkshuisvesting op het verkeerde been gezet.

Onder leiding van de rijksoverheid zijn we al maar van een stereotype mensbeeld uitgegaan: man, vrouw, twee kinderen die in een ruime flat in het groen willen wonen. En zo bouwden we onze steden: eindeloos veel monofunctionele woonwijken met meergezins huurwoningen in het groen. Zo domineerde een armzalige, eenzijdige opvatting over het wonen decennialang onze stedenbouw. De ontwerpers, de bouwindustrie en de politiek sloten een monsterverbond en niemand bekommerde zich over de wel erg eentonige woonwijken en slaapsteden die vandaag de dag tot de minst aantrekkelijke woongebieden in onze steden behoren en die de corporaties bijna nachtmerries bezorgen. Diezelfde rijksoverheid gooide begin jaren negentig het roer om. Toenmalig staatssecretaris Heerma deed dat met zijn nota ‘Van bouwen naar wonen’. Hij ontdekte dat de burgers al lang niet meer voldeden aan het stereotype beeld. De welvaart, net als de scholing, de mobiliteit en de informatie was enorm toegenomen. De burger was in zijn ogen geïndividualiseerd en mondig geworden. Dat had hij twintig jaar eerder ook al kunnen constateren, maar beter laat dan nooit: Heerma besloot dat er meer marktwerking moest komen en minder overheidsingrijpen. Maatwerk werd het motto. De nota van Remkes ligt dus geheel in het verlengde van de nota-Heerma. Maar een nota hoort ook nieuwe vergezichten te scheppen die het beleid verbeteren, verdiepen en actualiseren. Daarom is het teleurstellend dat de Nota wonen nauwelijks aandacht besteedt aan de stedelijke omgeving. De burger staat centraal, maar wat voor consequenties heeft dat voor onze steden. Hoe gaat de stad er morgen eruit zien? Die vraag is relevant, want de bouwopgave ligt in ons land de komende jaren vooral in de stad. We zijn uitgebouwd in de uitbreidingswijken, onze bouwproductie in de weilanden roept steeds meer verzet op en we moeten ons nu wel concentreren op de steden. Niet alleen omdat daar grootschalige herontwikkeling van die treurige naoorlogse wijken moet plaats vinden, maar ook omdat daar nieuwe stedelijke knooppunten ontstaan, vele verouderde bedrijfsterreinen, rangeerplatforms en havens getransformeerd moeten worden. De steden staan voor nieuwe opgaven: intensief ruimtegebruik, hergebruik van gebouwen, integrale gebiedsontwikkeling en complexe bouwvormen. Stuk voor stuk tot de verbeelding sprekende uitdagingen die gepaard gaan met diepte-investeringen die pas op lange termijn rendement gaan opleveren. De nota van Remkes geeft geen inspirerende leiding hoe die ontwikkeling moet plaats vinden. Ondertussen blijft onze samenleving steeds sneller veranderen. Welvaart, mobiliteit en kennis zijn nog veel groter dan in de tijd van Heerma. Wonen en werken zijn allang niet meer te scheiden in onze dienstenmaatschappij, en zo bezien is de titel van Remkes’ nota nu al achterhaald. En daar blijft het niet bij. De burgers, oud en jong, met veel of weinig geld,- allen worden veeleisender. Opvallend is evenwel dat diezelfde hectische, dynamischer wordende samenleving ook heel andere signalen uitzendt. De mensen stellen steeds meer eisen, ja, maar ook aan hun woon- en werkomgeving. Die moet schoon en veilig zijn en vooral: die moet herkenbaar zijn, die moet de sfeer uitstralen alsof het er altijd heeft gestaan. Mensen willen wonen en werken in een omgeving waarmee ze zich kunnen identificeren en onderscheiden. De dynamiek botst hier met eeuwenoude gevoelens van geborgenheid. Het is niet voor niets dat de vooroorlogse woonwijken steeds meer in trek raken. De scherp stijgende prijzen daar spreken boekdelen. Er lijkt een paradoxale stad nodig die tegelijkertijd in deze beide behoeften moet voorzien. Keuzevrijheid voor mensen die steeds veranderlijker, veeleisender en onvoorspelbaarder zijn. Maar tegelijk moet diezelfde stad een aantrekkelijke vertrouwde omgeving bieden waarmee de mensen zich kunnen identificeren. Het antwoord op deze tegenstrijdigheid lijkt me duidelijk: de stad van de toekomst is voor mensen, is daarom stabiel in zijn structuur en in zijn uiterlijke verschijningsvorm, noem het ‘casco’. Dat geeft houvast voor identificatie, voor geborgenheid. Maar tegelijk is de stad multifunctioneel en veranderbaar in het gebruik. Als het ware binnen zijn casco. Daar ligt de nieuwe ontwerpopgave. Bouw nieuwe structuren met een eigen, blijvend karakter die van binnen veranderbaar zijn. Zo kunnen diepte-investeringen renderen en kan de burger telkens opnieuw naar eigen inzicht zijn eigen woon- of werkruimte indelen en vormgeven. Dat is een opgave voor ontwerpers, voor bouwers maar ook voor politici. Zij moeten een nieuw monsterverbond sluiten waardoor de paradox kan worden opgelost. En waardoor de burger, geheel volgens Remkes ideaal, inderdaad centraal komt te staan.

Reageer op dit artikel