nieuws

Remkes gedraagt zich als zedenmeester

bouwbreed Premium

In zijn Nota Wonen lijkt staatssecretaris Remkes de realiteit een beetje uit het oog te hebben verloren, meent G.B.Schoenmakers. En helemaal belachelijk is zijn voorstel de titel ‘architect’ weer af te schaffen. De Nota Belvedère ziet er niet alleen mooi uit maar beschrijft een schoonheidsideaal van ons land dat welhaast te mooi lijkt om realiteit te worden.

De hoogste kwaliteit is nog niet hoog genoeg en ontwerpers van gebouwen, ruimten en landschappen worden opgeroepen al hun talenten voor die schoonheid in te zetten. Nog niet eerder werden architecten en landschapsarchitecten op deze manier door de overheid aangesproken hun talent te ontplooien voor wat staatssecretaris Van der Ploeg de ‘culturele ruimtelijke ordening’ noemt. De concept Nota Wonen zou de eerste uitwerkingen moeten geven. En doet dat ook, maar ondanks veel woorden over kwaliteit en kwaliteitsdenken – dat moet worden verhoogd – wordt de hooggestemde ambitie uit Belvedère nagenoeg volledig gesmoord door Remkes’ voorliefde voor de smaak van woonconsument en particuliere opdrachtgever. Op zichzelf is het opvoeren van de woonconsument als koning klant allerminst een voorbarige keuze. Hier past zelfs hulde. Een dikke nota lang toont Remkes zich de liberaal die beletselen wil wegbreken en zo ruim baan wil scheppen voor de burger die zijn lot liefst compleet in eigen hand wil nemen. Vanuit sociaal-democratisch standpunt valt hier niets tegenin te brengen. Zo zijn de tijden wel veranderd, want nog niet zo heel lang geleden gold ook het eigen woningbezit als een vorm van vermogensvorming op kosten van de gewone man die zelf levenslang voorbeschikt was te huizen in een huurwoninkje. Het heldere van de Nota Wonen is dat in elke situatie de positie van de burger in zijn rol als woonconsument de uitgangsbasis vormt voor de nagestreefde doelen en daarbij passend geachte maatregelen.

Vals

Van lieverlee echter vervalt Remkes hier in de rol van zedenmeester, die van links en van rechts listen en lagen aan de kaak stelt die de burger belemmeren te genieten van de mogelijkheden die de woonmarkt hem zou behoren te bieden. De woningcorporaties krijgen de wacht aangezegd, de ontwikkelaars moeten betere wijken bouwen, de gemeenten moeten de openbare ruimte beter inrichten en onderhouden, architecten moeten beter naar de woonconsument luisteren. Kortom, behalve de woonconsument deugt eigenlijk niemand. Het percentage eigen woningbezit moet omhoog van ongeveer 50 procent naar 65 procent en het gemiddeld percentage eigenbouw van 18 naar 30 procent. Op zich zijn dat gedachten en doelen, geschikt voor een constructieve discussie en geen afwijzingen bij voorbaat. Maar dan wordt de staatssecretaris vals. “Te veel partijen denken bijvoorbeeld dat burgers niet in staat zijn zelf opdrachtgever te zijn, of zelf te bepalen wat kwaliteit is. Juist die individualiteit binnen een aantal afspraken als randvoorwaarden (rooilijnen en dergelijke) kunnen kwaliteitsbeleving oproepen. De Amsterdamse grachtengordel vormt het levende bewijs dat individueel opdrachtgeverschap grote collectieve kwaliteit kan opleveren”. “Opdrachtgevers, ontwerpers en andere partijen in de bouwkolom hebben vaak impliciete opvattingen over wat goed is voor de burger. Bovendien vinden zij vaak dat burgers zelf onvoldoende in staat zijn kwaliteit te beoordelen, kwaliteit zelf te organiseren of kwaliteit zelf te realiseren. De keuze van burgers dient echter niet met dédain te worden beoordeeld, maar juist serieus te worden genomen. Architecten zouden juist de uitdaging moeten oppakken om bijvoorbeeld cataloguswoningen met dezelfde voordelen maar met meer uitstraling te gaan ontwerpen”.

Kostenpost

Allereerst dringt zich het gezegde op dat een aap een aap blijft, ook al draagt hij een gouden ring. Zo ook blijft een cataloguswoning altijd een cataloguswoning. Vervolgens is het goed te beseffen dat de opleiding tot architect zich bevindt op academisch niveau en dus een beroep doet op kennis en kunde die niet iedereen zomaar op het gewenste moment komt aanwaaien. Ook niet de particuliere opdrachtgever die hoogstwaarschijnlijk eens in zijn leven een opdracht verstrekt aan een architect. En dat is dan al opvallend, aangezien er geen verplichting is een architect in te schakelen voor een ontwerp. In plaats van de architect te zien als deskundige op zijn vakgebied, ziet men hem liever als kostenpost die als het kan geheel moet worden vermeden, en laat men zich goedkoop ‘adviseren’ door een geheel onbevoegde ‘ontwerper’. Een praktijk die de staatssecretaris lijkt te willen bevorderen met zijn voorstel de bescherming van de architectentitel, die nota bene pas enkele jaren bestaat, af te schaffen. Dat de diverse partijen in de bouwwereld op de keuze van de burger met dédain zouden reageren, lijkt een subjectieve conclusie uit het geruchtencircuit. En zo niet, dan zou de objectieve bron in de definitieve versie van de Nota Wonen moeten worden vermeld.

Gilden

Wat wel vaak is onderkend is, dat architectonische kwaliteit tot stand komt door een goed opdrachtgeverschap dat stimulerend werkt op de creativiteit van de erkende ontwerper. Dat contact loopt van het programma van eisen, waarin de opdrachtgever inderdaad de autoriteit is waaraan de kennis en kunde van de ontwerper dienstbaar moet zijn. Het is voorstelbaar dat op deze interactieve wijze de aangehaalde grachtengordels van Amsterdam zijn ontstaan. Maar dan houdt ook elke parallel op. De toenmalige bouwwereld werd georganiseerd door de vanuit de traditie werkende gilden met hun standaard ambachtelijkheid, in een maatschappelijk bestel dat werd gedomineerd door sociaal-religieuze ordening en aanverwante codes. Het voorstel de architectentitel af te schaffen zou als straf die architecten moeten treffen die zich laten verleiden een cataloguswoning te ontwerpen die vervolgens als confetti door heel Nederland wordt verspreid. De bedoeling van Belvedère is toch niet Nederlands stedenschoon te verrijken met dit alternatief voor de nieuwbouwwijken dat bekend staat als de ‘witte schimmel’. Als het gaat om af te rekenen met alles en iedereen die de ontwerp- en bouwlust van de particuliere ontwerper in beheersbare banen wil leiden, slaat de staatssecretaris in zijn drift op hol. Terwijl de discussie nog loopt over de ‘Welstand op nieuwe leest’ en de herziening op dit punt van de Woningwet, wordt aangekondigd dat het de bedoeling is alleen nog de beschermde stads- en dorpsgezichten en de monumenten onder de welstandstoetsing te plaatsen. Anders uitgedrukt: buiten deze kwaliteiten is al het bouwen welstandsvrij. Het begon met kleinere bouwwerken en aanpassingen van verondersteld ondergeschikt belang, maar inmiddels vallen de schellen nu wel van de ogen. De Nota Belvedère classificeerde 76 Belvedèresteden en 104 Belvedèrelandschappen. De Kamerleden toonden zich bezorgd over de steden en gebieden die daar buiten vielen en toch ook zorg en aandacht bleven verdienen. Daarover was men het toen in brede kring eens. De Nota Wonen toont zich stekeblind voor dit Belvedère. Naast gevoelens van wanhoop bestaat op dit moment één hoop die bestaat uit twee wensen. De eerste wens is dat de staatssecretaris zijn ideeën over de volkshuisvesting nader mag uitwerken en toepassen, want zijn aanpak verdient deze benadering. De tweede wens is dat hij zich niet mag bemoeien met de Derde Architectuurnota.

‘In zijn drift slaat de staatssecretaris op hol’

Reageer op dit artikel